Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘relatie’ Category

Abraham Maslow

Abraham Maslow

Door met Maslow mee te denken over het functioneren van onze behoeften krijg ik wat meer zicht op de psychologie van zijn en hebben. Zo wordt het voor mij iets concreter. Om me te ontwikkelen ‘moet’ wij ik voorbij onze lagere behoeften ook bezighouden met de hogere behoeften in de piramide. Zonder bevrediging van de lagere behoeften wordt dit moeilijk (onmogelijk?). Met een lege maag kunnen we ons moeilijk richten op sociale behoeften en de behoefte aan erkenning. Laat staan dat we dan ook in de hogere laag van de piramide kunnen komen tot topervaringen die ons brengen tot zelfactualisatie waarin we ook de ander kunnen zien en kunnen liefhebben (Z-liefde). Dit komt overeen met wat ik bedoel dat het zijn altijd via het hebben verloopt. Alleen bedoel ik dit breder dan alleen het terein van de behoeften.

Ook in de communicatie kunnen we ons zijn immers niet aan elkaar meedelen, als we niet ook zijn behebt met een lichaam die taal of gebaren kan produceren. Ook daarin is de waardering en gebruik van de sfeer van het hebben een voorwaarde om tot zijn en een gedeeld zijn te komen.

In het niet delen van ons zijn ervaren we onze individualiteit en onze eenzaamheid. Door dit te zien als noodzakelijke fase om te kunnen groeien als mens, kan de eenzaamheid worden beleefd als een zinvol alleen zijn.

De zogenaamde D-behoeften wijzen dus op ons tekort (deficientie) en vragen om vervulling. Daar komt ook onze D-liefde vandaan. Wanneer we als mens willen groeien naar een liefde die zich richt op de ander, de Z-liefde, dan zullen we in topervaringen onze vervulling beleven waardoor we beter in staat zijn om de ander te (voor)zien in zijn/haar behoeften en zo ook beter daarin te voorzien. Dat zegt Maslow…

Niet alleen vanuit de vervulling van het hebben, maar ook vanuit een onvervuld hebben, kan men volgens mij tot een gerichtheid op de ander komen als men af kan zien van de eigen behoefte-vervulling en kan kiezen om de ander in zijn behoefte te zien. De mens is immers niet altijd slaaf van zijn behoeften en staat er in verhouding mee. Daar ligt volgens mij een beslissend moment. Het besef dat ik in verhouding tot mijn behoeftes sta en in verhouding tot de ander, kan mij een stap verder brengen naar een ‘gezonde’ omgang met de ander. Kiezen voor de ander is dan afzien van mijn gerichtheid om te hebben. Dit vind dan plaats voorbij het hebben in de sfeer van mijn zijn waar ik mijn verhouding beleef tot mijn behoefte (en mezelf). Dan kan ik de vrijheid ervaren om te kiezen. Maar waarom zou ik kiezen voor de behoefte van de ander?

De gerichtheid op de ander kan ook ongereflecteerd zijn (zonder in de verhouding tot mijn gerichtheid te komen). Een ‘sub-assertief’ persoon is geneigd om voor de ander te zorgen vanuit een houding waarin geen keuzevrijheid wordt ervaren. Angst voor waardering of te trots en “flink moeten zijn” kunnen motieven zijn. Dat lijkt me niet de gezonde houding tot de ander. Als we ervan uitgaan dat de liefde deze vrijheid verondersteld, kunnen we deze ongereflecteerde keuze voor de behoefte van anderen ook niet als liefde benoemen. Ook al kan het wel heel lief zijn.

Zelfs wanneer we in de verhouding tot onszelf komen kan angst toch de doorslag geven om niet voor de ander maar voor onszelf te kiezen. Dat maakt dat zelfactualisatie nog niet vanzelf leidt tot “Z-liefde”. Misschien wel als we in alle behoeften zijn voorzien en er geen angst is die ons belemmerd. Maar sinds wanneer zijn we automatisch gericht op de ander als we zelf zijn voorzien? Sinds wanneer kunnen we volkomen vervuld zijn van erkenning zodat we niet langer erkenning zoeken, maar erkenning van de ander nastreven? Hier gaat wel een enorm positief mensbeeld aan vooraf. Komt zo de illusie dan toch weer door de achterdeur naar binnen bij Maslow. En verzuimt hij zo om af te dalen in de weerbarstige werkelijkheid waar mensen destructief zijn en elkaar geweld aandoen ook al zijn ze in alle behoeften voorzien (voor zover dat mogelijk is)

Dan zou de angst van de “jammerende Europese existentialisten” misschien toch weleens kunnen wijzen op een realistisch besef van de harde gebroken werkelijkheid waarin geweld en lijden een gegeven is. Dit heeft Maslow toch ook moeten zien in de 2de wereldoorlog.

Daarom wil ik in reactie op Maslow zeggen dat ik niet de zelfactualisatie als hoogste verdieping in de piramide zie, maar de vrije gerichtheid op de actualisatie van de ander. Dat vraagt om ethiek en relatie. Dit vind ik nog zeer gebrekkig aan bod komen bij Maslow.

Hierin ben ik niet origineel, want ook Levinas sprak al over “het humanisme van de ander” en ook Buber heeft de ik-jij-relatie al aan de orde gesteld. Maar anders dan Buber en Levinas, heeft Maslow toch meer de neiging om zich tegen een externe religieuze bron af te zetten. Hij is op zijn minst erg achterdochtig naar de belemmerde factoren van zo’n externe georganiseerde religie. Deze achterdocht herken ik ook bij Levinas, maar dan een achterdocht wanneer de religie (of ideologie) niet meer ten dienste staat van de ander met wie ik in een ethische verhouding sta.

Dit geeft voor mij aan dat er nooit alleen vanuit een behoeftetheorie een ideaal mensbeeld kan worden ontwikkeld. Maslow verwees ook al naar Erich Fromm en Victor Frankl die hem hebben aangevuld met respectievelijk ‘een kader van waarden’ en ‘een kader van zingeving’.

Maar dit heeft hem er toch niet toe gebracht om de zelfactualisatie in dienst te zetten van de zelfactualisatie van de ander. Hij blijft hiermee steken in de egologie (Levinas)

Wel bijzonder dat Fromm, Maslow en Frankl een Joodse achtergrond hebben en daarmee ook het voorrecht om te kunnen putten uit een vat van waarden die hun psychologie van de persoonlijke groei kunnen beinvloeden. Het is de Franse Jood Levinas die nog even een Joods tandje bijzet naar de ethiek van naastenliefde en de Duitse Jood Buber die daarvoor nog op het belang van de ik-jij-relatie wees. Daar zullen we het vast nog wel eens vaker over gaan hebben…

Read Full Post »

(een vervolg van mijn vorige blog, maar kan ook los gelezen kan worden)

Een interessant gedachte-experiment lijkt me om de behoefte-piramide van Maslow te vergelijken is met Kierkegaard’s 3 typeringen van de mens.

Dan zou de esthetische mens van Kierkegaard in de onderste regionen zitten van de piramide (zie schema beneden). Gericht op eigen genot en eigen behoeften. Misschien kan het ook nog wel verder opklimmen in de piramide, maar het zal altijd beperkt blijven tot de primaire drive van de eigen behoeften en het streven naar directe of indirecte bevrediging van eigen behoeften. De ethische mens van Kierkegaard zal wellicht beseffen dat dit streven on-ethisch is. Het zal vanuit schuldgevoel kunnen komen tot de zorg voor de behoefte van anderen. Maar of deze mens het stadium van zelfontwikkeling zal bereiken is nauwelijks denkbaar. Daarvoor wordt hij teveel door een zware last belemmerd. De religieuze mens bij Kierkegaard zal in staat zijn tot zelfontwikkeling. Deze mens beleeft zichzelf als uniek individu voor God en zal het eigen streven naar een hoge ethisch moraal en de ervaring van onvermogen daarin kunnen relativeren vanuit zijn Godsrelatie.

Ik krijg sterk de indruk dat Maslow Kierkegaard onder de nee-zeggende Europese existentialisten schaart. Deze existentialisten neemt hij niet te veel au serieux omdat ze blijven doorhameren op vrees, angst, wanhoop en al dat soort gevoelens. Waarvoor hun enige remedie schijnt te bestaan in maar doorzetten en volhouden. Ik ga verder met citeren: “Dit super-intelligente gejammer op kosmische schaal treedt op overal waar een bron van waarden niet of niet meer functioneert. Zij hadden van de psychotherapeuten moeten leren dat het verlies van illusies en het ontdekken van identiteit, hoe pijnlijk ook in het begin, uiteindelijk kan leiden tot een toestand van nieuwe levensmoed en grotere kracht. En de afwezigheid van iedere vermelding van top-ervaringen, van vreugde, van extase of zelfs maar van normaal geluk leidt natuurlijk tot sterke verdenking. De meeste mensen kennen en vreugde en tragiek, in wisselende proporties” (‘psychologie van het menselijk zijn’ p.26)

Ik wil de wetenschappelijke status van Maslow hier niet bij voorbaat al ondermijnen. Maar ik kan toch niet anders zeggen dat Maslow maar weinig van de “jammerende Europese existentialisten” heeft begrepen. Ik ben namelijk al vele topervaringen tegengekomen bij deze mensen, terwijl ik lang niet alles heb gelezen.

Neem Kierkegaard’s beschrijving van zijn extase in zijn gebed. Toen daarna een vlieg op zijn neus ging zitten en hij plotsklaps uit deze topervaring afdaalde naar de lagere regionen in de piramide, is dat voor mij een signaal dat “tragiek en vreugde” ook in het leven van Kierkegaard in wisselende proporties aanwezig waren.

Ook Marcel kende deze extase. Hij was een vervent pianospeler en kon opgaan tijdens het spelen en luisteren van de muziek van Mozart. Ook de beschrijving van zijn bekering op 40 jarige leeftijd komt op mij over als een topervaring. Een verheffende ervaring van vreugde gepaard gaand met een inzicht dat alles wat hij voorheen heeft gedacht op zijn plaats laat vallen.

Maslow had er goed aan gedaan om dit ook even mee te nemen in zijn evaluatie van de “jammerende Europese existentialisten”. Dan zou hij misschien anders hebben geevalueerd.

Dat een externe bron van waarden niet meer functioneert valt niet zomaar even te relativeren door je te richten op de menselijke mogelijkheden en de groei van je identiteit. Volgens mij blijf je dan teveel in de illusie steken dat de psychologie ons een genoegzaam wereldbeeld kan verstrekken, waarin onze zelfactualisering het hoogste doel is. Dat kan misschien een mooi psychologisch doel zijn, maar in de omgang met anderen en met vragen over leven en dood lijkt me dat een beperkte doelstelling. In de zelfactualisatie zullen we ook weer moeten afstemmen op externe waardebronnen die we nog steeds vertrouwen, ook al functioneren ze op bepaalde momenten niet adequaat. Dit hoeft niet aan de externe bronnen te liggen. Het kan ook aan onze interpretatie liggen en de bril waardoor wij met deze externe waardebron zijn omgegaan. Maslow’s raakt best een goed punt, maar werkt dit gebrekkig uit. Waarbij ik de indruk krijg dat hij met het kind ook het badwater weggooit, omdat het een belemmering zou zijn voor de eigen zelf-actualisatie. Dit was ook wel een trend bij de humanisten uit die tijd. Volgens mij moeten we soms worstelen en wanhopig zijn omdat we daar alle reden toe hebben. In deze worsteling kunnen we ook weer hoop ontwikkelen en nieuw zicht krijgen op externe waardebronnen, die ons leven kunnen verrijken.

Ik ben benieuwd hoe Maslow het menselijk geweten een plek geeft in zijn theorie. Zal dit dan ook een belemmering zijn voor de zelfactualiserende mens?

Het lijkt me een behoorlijk eenzijdig westerse mensopvatting gestimuleerd vanuit een welvaartdenken waarin het welbegrepen eigenbelang ook heilzaam kan zijn voor de medemens.

Maar goed. Maslow kan zich niet meer verdedigen dus ik zal hem met veel respect behandelen en afsluiten met de opmerking dat ondanks dit misverstand van Maslow er toch veel boeiende gedachten zijn te vinden bij Maslow.

Hij blijft voor mij 1 van de grootste psychologen allertijden omdat hij wel op zoek ging naar menswaardigheid en zijn theorie en therapie in dienst stelde om de mens te bevrijden tot een zelfactualiserend persoon

Read Full Post »

Excuus voor mijn soms moeilijk te lezen blogs. Daarom heb ik het 2 maanden even gelaten voor wat het was. Ik heb mij bezonnen hoe ik inzichtelijker mijn gedachten over ‘zijn&hebben’ kan verwoorden. Ik vind het dan ook onvoorstelbaar dat sommige blog’s wel 64 hits hebben en er bijna geen dag voorbij gaat zonder bezoekers op mijn blog. De reacties blijven nog wat uit, dus ik wil je aanmoedigen om gerust te reageren op mijn blogs. Zichtbare reacties hier zijn natuurlijk erg welkom, maar onzichtbaar mailen mag ook. Of het nu aanvullingen zijn of vragen, bijna alles is welkom. Er bestaan geen domme vragen bij mij, want ik besef maar al te goed mijn onvermogen om mijn beleving inzichtelijk te maken voor anderen. Daarvoor kan ik altijd wel hulp gebruiken van een kritische lezer. Ik hoop op je hulp. Ik probeer wat met je opmerkingen te doen, al is het mij deze keer niet gelukt om mijn blog kort te houden (sorry GJ). Maar volgens mij is deze alweer een stap verder in de richting van mededeelbaarheid =)

Op dit moment ben ik bezig met het opfrissen van mijn Abraham Maslow kennis. Hij is immers enorm geinspireerd door existentialistische filosofie.

piramide van Maslow Hij is als psycholoog vooral bekend geworden met zijn behoefte-piramide. Een theorie die nog steeds veel wordt toegepast ondanks de geringe onderbouwing vanuit onderzoek =)
http://www.over-maslow.com

Als psycholoog is hij ook bekend als gangmaker van de humanistische psychologie die zich vooral richt op het terrein de menselijke mogelijkheden. Een stroming die in de VS werd gevestigd met mensen als Maslow, Fromm, Rogers, Frankl etc http://nl.wikipedia.org/wiki/Humanistische_psychologie

En ik had me nog zo voorgenomen om niet uit te wijden over achtergronden en namen… Ik ellendig ‘onbegrensd’ mens wie zal mij verlossen… =)

Voor “Z&H” is Maslow een interessant man omdat hij als een van de grondleggers van de humanistische psychologie ons een jargon aanreikt waarmee ons thema van “zijn en hebben” kan worden verduidelijkt. Hij reikt niet alleen een psychologisch jargon aan om dit te verhelderen, hij maakt het ook nog eens tot een praktisch psychologisch ontwikkelingsmodel. In Maslow’s boek “psychologie van het menselijk zijn” werkt hij dit uit. Natuurlijk wil ik dit niet onkritisch overnemen, want ik zie ook beperkingen in zijn theorie. Maar dat neemt niet weg dat Maslow een praktische bijdrage levert om mijn gedachten over “zijn en hebben” in herkenbare “sferen” te brengen.

In de volgende blogs wil ik dit eens gaan verkennen.

Al in het eerste hoofdstuk erkent Maslow zijn schatplichtigheid aan de existentialisten. Kierkegaard’s journals staan vermeld in de literatuurlijst en verder baseert hij zich vooral op Colin Wilson en neemt hij ook enkele boeiende conclusies van hem over in zijn evaluatie van de existentialisten. De ja-zeggende en de nee-zegende existentialisten (doet me denken aan Buber). Daar hebben we het later nog over.

Om even een kort door de bocht vooruitblik te geven:

Maslow komt in het boek tot 2 vormen van kennis. Hij maakt onderscheid tussen:
– D-kennen: komt voort uit deficiëntie. Dit is kennis vanuit de ervaring van tekort hebben aan…(vgl. ‘nood’)
– Z-kennen: komt voort uit Zijn (…) en vindt plaats vanuit de ervaring van vervulling…

Daaraan vast koppelt Maslow ook D-liefde en Z-liefde. De D-liefde komt voort uit een tekort en is gericht op wat ik aan de ander kan beleven en van de ander kan krijgen. Z-liefde komt voort uit mijn vervulling en mijn extase en is daadwerkelijk gericht op de ander.

Dit is te vergelijken met het aloude bijbelse onderscheid tussen filios (D-liefde) en agape (Z-liefde). Hierbij is de filios meer ‘genegenheid’ en de agape meer ‘Goddelijke gevende liefde’.

Om alvast even een voorzichtige koppeling te maken met Z&H. In de sfeer van het ‘hebben’ (H-sfeer =), heeft de de D-liefde een primaire plaats. Mijn verlangen om te hebben komt immers voort uit mijn tekort. Zo begint de baby ook aan het leven. Het krijgt dorst, honger en gemis aan de veilige baarmoeder, dus het verlangt naar drinken, eten en de nabijheid/veiligheid van de verzorgster. Dit staat centraal in “de sfeer van het hebben”. Daar zal ook Maslow’s piramide uit voortkomen.

De omslag die ik heb gesignaleerd, is de omslag in het besef dat dit hebben mij niet langer kan vervullen en ik ervaar dat ik meer ben dan alles wat ik heb aan bezit maar ook aan immateriële ‘zaken’ zoals kennis, pijn, verdriet, negatieve ervaringen, geluk etc. Dan helpt het mij niet om mezelf te blijven richten met mijn d-liefde in de sfeer van het hebben. Ik blijf zoeken (tot verslaving aan toe) in de sfeer van het hebben of stel mij vervolgens gerust met mijn onvervulling. Een derde weg kan zijn een keuze voor een religieuze richting naar ‘iets of iemand’ die ons wel kan vervullen. Maar zelfs op deze derde weg kon de franse natuurkundige en filosoof Blaise Pascal niet zonder de ‘verstrooiing’. We worden immers hoe-dan-ook weer teruggeworpen in de sfeer van het hebben.

In termen van de existentialisten heet dit moment van verheffing, “transcenderen” (Marcel) of “Zijnservaring” (Heidegger). Bij Maslow komt de term “topervaring” in beeld als hij het heeft over deze zelfoverstijgende ervaring.

Omdat filosofie zich voor mij vaak teveel in abstracties uitdrukt en daarom ook vaak moeilijk is te begrijpen/herkennen en te communiceren, maak ik hier dankbaar gebruik van Maslow’s benadering in een meer psychologisch kader. Met het jargon van Maslow hoop ik meer woorden en vergelijkingen te kunnen geven uit onze mededeelbare praktijk.

Maslow daagt zijn lezer uit om het volgende te bedenken bij “topervaring”. Hij stelt deze vraag bij een van zijn onderzoeken.

Ik daag jullie uit om stil te staan bij deze ervaring:

“Ik zou graag willen dat u eens nadacht over de wonderbaarlijkste ervaring of ervaringen uit uw leven; de gelukkigste momenten, extatische ogenblikken, momenten van verrukking, misschien van verliefd zijn of van naar muziek luisteren of een plotseling “getroffen worde’ door een boek of een schilderij, of een of ander groots creatief ogenblik. Schrijf deze eerst allemaal op. en probeer mij dan te vertellen hoe u zich voelde op dergelijke intense ogenblikken, hoe dat verschilde van de manier waarop u zich anders voelt, hoe u op dat moment als persoon anders was dan anders.”

piramidemaslovMaslow ontdekt dat mensen die deze ervaringen beschreven en regelmatig meemaakten in hun leven, een andere vorm van kennis en behoeftepatroon hadden. Mensen uit zijn onderzoek die tot deze ervaring konden komen werden daarin niet langer belemmerd en geblokkeerd. Het is deze ervaring waarin de mens komt tot een andere manier van kennen. Een kennen die niet alleen is gericht op de eigen behoeften. Dat noemt hij het “Z-kennen”. Varianten die Maslow noemt van topervaring zijn: ouder-ervaring (ouder-kind-liefde), mystieke of oceanische of natuur-ervaring, de esthetische waarneming, het creatieve moment, het therapeutische of intellectueel inzicht, de orgastische ervaring, bepaalde vormen van atletische vervulling. Momenten van hoogste geluk en vervulling.

Zo komt hij ook tot het begrip “zelfactualisering”. De zelfactualiserende persoon is het ideaal in Maslow’s psychologie. De weg naar zelfactualisatie is gericht op menselijke mogelijkheden en minder op menselijke onmogelijkheden (zoals in het medisch/ziekte model) Dat de benadering van Maslow weer actueel is voor mij, komt door mijn existentialistische interesse en mijn actuele interesse in de kortdurende oplossingsgerichte therapie (KOT). Een benadering die op dit moment erg ‘hot’ en effectief is bij RIAGG’s en bij maatschappelijk werkers en die met hun uitgangspunten teruggrijpt op ontdekkingen van Maslow.

De benadering die ik hier “zijn en hebben” noem, kan goed vergeleken worden met deze benadering van Maslow. Op psychologisch niveau zie ik veel overeenkomsten.

Zo zou ik hier kunnen zeggen dat de ervaring van “hebben naar zijn” bijna overeenkomt met de overgang van D-kennen naar Z-kennen. Niet langer eigen behoefte staan centraal, maar er is een bepaalde zelfoverstijging door het besef van vervulling waardoor er een zelfoverstijgende ruimte wordt beleefd en waarin de eigen behoeften niet meer richtinggevend zijn. De ouder-kind liefde is hierbij een illustrerend voorbeeld.

Maar als ik scherp wil zijn, dan moet ik toch zeggen dat het moment van hebben naar zijn eigenlijk pas kan komen na de topervaring zoals Maslow deze beschrijft. In de topervaring beleef ik de vervulling, maar pas daarna kan ik beleven dat deze ervaring mij niet (blijvend) kan vervullen. Ik groei er weer bovenuit. In een aangename ervaring zal ik deze beleving “ruimte” noemen en in een niet-aangename ervaring noem ik dit eerder “leegte” of misschien wel eenzaamheid. Ook de moederliefde zal in zijn gevende vorm weer moeten ‘beseffen’ dat er geen symbiose bestaat (of kan blijven bestaan) en het kind is gediend met een losmaking tot zelfstandigheid. Maar dat neemt het moment van de top-ervaring niet weg. Binnen het kader van Maslow zou je kunnen zeggen dat de Z-liefde pas kan beginnen na een top-ervaring. Vanuit je eigen volheid ga je uitdelen…

Ik wil deze gedachte van Maslow verder verkennen om tot concretisering te komen, maar ik besef nu ook al dat we telkens weer bij de grenzen zullen komen van psychologie en existentie. Dat maakt het ook zo boeiend voor mij. Psychologie is immers nog altijd een “logie” waarin het begrijpen van belang is. Existentie is per definitie een loslaten/relativeren van dit begrijpen en de overstap maken naar het ruimere kader van de ervaring. Maar het loslaten kan niet plaatsvinden als je niet eerst iets vasthoudt. Dat is nu precies waar de uitspraak naar verwijst: “je kan niet zijn zonder te hebben”. De weg naar het zijn loopt in mijn ervaring via hebben en dat maakt de benadering van Maslow voor mij zeer boeiend. Als psycholoog verkent hij dit hebben tot het uiterste.

Hoewel Maslow – voor zover ik weet – bij het schrijven van het boek niet-religieus meer is, krijg ik toch de indruk dat zijn Joodse achtergrond een rol speelt als hij deze topervaringen een ‘bijna-religieuze’ duiding geeft. Maar als humanist doet hij zijn best om binnen de grens van de psychologie te blijven. Immers als hij komt in de sfeer van ervaring die ons begrip te boven gaat, zou hij ook uit de psychologie stappen en daarmee misschien ook buiten het kader van zijn onderzoek. Toch is dat wel de “topervaring” zoals ik hem zie. De topervaring kan (achteraf) nog wel met psychologische termen beschreven worden, maar gaat zelf de psychologische kaders te buiten in de ruimere ervaring. In deze ruimere ervaring kan ik ook mijn verwondering beleven en kan ook mijn religieuze aanbidding een plaats krijgen. Omdat datgene wat we hebben ons niet kan vervullen is er een aanleiding om te komen tot degene die ons wel kan vervullen. Marcel noemt dit het moment van inkeer.

Maar de natuur/schepping dan? hoor ik een goede vriendin al tegen mij zeggen. “De natuur kan mij immers met ontzag vervullen!” De ervaring van ontzag kan tijdens de beleving van de grootsheid van de natuur/schepping klaarblijkelijk ontstaan. Dit herken ik. Toch denk ik dat de natuur mij als persoon mij niet kan vervullen. Voor sommigen kan in de ervaring de natuur immers ook vereenzamen omdat er geen persoonlijkheid in wordt beleefd. De natuur is geen persoon en kan ons niet vervullen in onze eigen persoonlijkheid. We ervaren dan geen begrip of onze mogelijkheid om begrip te projecteren… (zoals sommige mensen dit bij dieren doen) De natuur/schepping kan voor ons wel verwijzen naar de Schepper die zich in de schepping “uitdrukt” (als expressie) en zo zichzelf aan ons laat zien. Dit ervaren sommigen op momenten.
Ook kan zelfs een grote liefde ons niet blijvend vervullen omdat na de ervaring van eenwording meestal ook weer ons oog wordt gericht op het verschil en de grens tussen mij en mijn geliefde. Misschien is God degene die het meeste aanspraak zou kunnen maken op vervulling. Ook al kan er dan de ervaring zijn van het verschil en de grens tussen God en de mens.

De incarnatie van God in Jezus Christus is hierbij een tegemoetkoming. Daarin wordt dit verschil overbrugd. Jezus Christus heeft – volgens de bijbel – onze zwakheden, pijn, onrecht en zonden “op zich” genomen. Hij heeft zich vereenzelvigd met ons, zodat we nooit eenzaam hoeven te zijn omdat hij overal is geweest (Ps 139:7,8; Ef 4:9ev.). God wil ons in Hem accepteren en zien. Hij moet dan wel meer zijn dan wij zijn. Wij kunnen in Hem “verdwijnen” of beter gezegd “volledig inpassen”.

Ook de Z-liefde van Maslow krijgt een ruimer kader als we daar religieuze noties bij betrekken als “het overvloedige leven”. Jezus voorspelt dit in Joh 10:10 (NBG) leven en overvloed (en ook in Rom 5:17). Hij vult ons met zijn leven en wij mogen daarin overvloeien is de metafoor. In 2Kor8:14 zie je een mooie uitwerking van de Z-liefde die de D-liefde vervult. Mensen geven uit hun overvloed aan de anderen die in nood zijn.

Daarin heb ik nog geen goede toepassing bij Maslow gevonden, die ik wel bij Gabriel Marcel vind als hij het heeft over “van zijn terug naar hebben gaan”. In de beleving van vervulling mogen we in de sfeer van het hebben (de D-liefde) weer anderen in onze omgeving dienen.

Ten slotte moet ik ook nog even een lichte irritatie kwijt over de zelfactualiserende persoon. In mijn beleving kan dit nooit een definitief stadium zijn waarin de persoon zichzelf genoeg is. Dat is mij te onthecht en te solistisch. Dit ken ik niet uit mijn ervaring en niet uit de ervaring van grote helden in de geschiedenis. Zelfs van moeder Theresa zijn onlangs haar diepe twijfels bekend geworden in haar brieven.

In mijn beleving meen ik soms Z-liefde te ervaren, maar vooral ook veel D-liefde. Dan kan het een topervaring zijn wanneer anderen met hun Z-liefde mijn nood (D-liefde) kunnen lenigen (2 Kor 8:14) Liefde kan immers nooit op zichzelf staan. Dit lees ik in de bijbel en is volgens mij een verruimend en dienend kader voor Maslow’s boeiende inzichten en ontdekkingen.

Wanneer een zelfactualiserend persoon van de 1 op de andere dag in een rolstoel belandt, zal hij ook veel nood beleven, waarbij hij mag hopen op genoeg Z- of D-liefde van de mensen om hem heen. Volgens mij zijn we allemaal soms de gever en soms de ontvanger.

Maar het kan zijn dat ik Maslow tekort doe en dat is niet mijn bedoeling. Dat hoor ik dan graag…

Read Full Post »

Als het om leermodellen gaat, heeft het model van Kolb nog steeds een praktische waarde. Dit model laat zien op welke manier mensen leren. Het gaat er van uit dat elk mens een persoonlijke leerstijl heeft. De een leert meer door zijn eigen ervaring te observen en de ander leert meer door de toepassing van richtlijnen. Dat heeft Kolb in schema gebracht. Elk mens heeft zo een eigen leerstijl. Ik heb dit schema veel gebruikt bij de begeleiding van studenten. Het heeft me geleerd dat niet iedereen dezelfde leerstijl heeft als ik. De een leert veel door het lezen van boeken en de ander moet gewoon maar aan de slag en terugkijken op zijn eigen ervaring.

leercyluskolbDit model laat ook zien hoe praktisch filosofie kan zijn. Het model is namelijk het schema wat is terug te voeren op de hermeneutische filosofie. Namen die hierbij horen zijn Wilhelm Dilthey en Hans-Georg Gadamer.

In hun onvrede op het subject-objectschema van Descartes, kwamen zij tot hun hermeneutische kennismethode. Kennis was niet langer meer een speurtocht naar de ongrijpbare objectieve kennis in onszelf. Het besef drong door dat al ons kennen subjectief is en plaatsvindt in de tijd. In de hermeneutische visie verkrijgen we kennis door onze ervaring waarop we reflecteren en vervolgens abstraheren tot algemene concepten. Vanuit die algemene concepten benaderen we via praktische lichtlijnen de werkelijkheid die we tegenkomen in onze ervaring. En zo is de cirkel rond. Het maakt dus niet uit waar je instapt.

Deze cirkel verheldert voor mij ook de ervaring van hebben en zijn. Deze ervaring kan je immers ook voorstellen in een cirkel. Hebben is meestal de laag waar we beginnen, de concrete ervaring bij Kolb. De ‘hebben en zijn cirkel’ overstijgt echter de cirkel van Kolb, want met concepten ontstijgen we nog steeds niet ‘de sfeer van het hebben’. Concepten kunnen we immers ‘hebben’. Vanuit het hebben – waar ook de taal een belangrijk rol speelt als we reflecteren en met anderen communiceren – komen we in de existentiele cirkel tot het einde van het mededeelzame. Door het besef dat we meer zijn dan wat we hebben, overstijgen we in onze ervaring de sfeer van het hebben. Dit is de ervaring van het ‘zijn’. Of eigenlde ervaring van het feit dat we dit beseffen, is zijn.

Zo zou je een schema kunnen maken met een kleinere hermeneutische cirkel die nog altijd in het mededeelzame blijft en daaromheen nog een hogere existentiele cirkel die uitstijgt in de onmededeelbare individuele. Een soort elips met een shortcut.

In de existentiele cirkel worden we uiteindelijk geconfronteerd met onze uniciteit, in dit besef ervaren we dus ook vaak eenzaamheid. Uniciteit en eenzaamheid gaan vaak samen.

Henri Nouwen noemt in zijn boekje “Open uw hart” drie wegen: de weg naar jezelf, -de ander en -God. De eerste weg naar jezelf: “van eenzaamheid naar alleen-zijn”. Dat is een weg naar een positieve omgang met je uniciteit als houding naar jezelf. Hier valt nog meer over te zeggen.

Het gaat me nu om het moment dat we deze zijns-beleving ervaren. Het is de ervaring dat we ons ‘zelf’ niet kunnen vullen met wat we hebben. Naast eenzaamheid, uniciteit, kunnen we hierin ook leegte ervaren. En omdat eenzaamheid en leegte onrustig maken en om vulling/aanwezigheid vragen, gaan we op zoek. We kunnen dan weer in de cirkel naar de sfeer van het ‘hebben’ en ons vullen met nog meer ‘hebben-dingen’, waar we vervolgens weer zullen ontdekken dat we ons niet kunnen vullen met hebben-dingen. Filosofisch gezegd: dat is een categorische fout.

Zo was er een popster die bij een poging tot zelfmoord deze worsteling liet zien. Hij sprak over zijn zoektocht naar vervulling, waar geld en rijkdom niet in kon voorzien. De illusie dat geld zijn leegte kon vullen moest hij inleveren. De ondraaglijkheid van deze leegte dreef hem tot wanhoop. Illusies zijn tijdelijke vullingen van onze leegte.

Sommigen noemen hier de liefde als de ultieme vervulling. Met liefde kan je een eind komen. maar een ander mens kan nooit je uiteindelijke vervulling zijn. De verschillen gaan opvallen en daar kan leegte ontstaan en eenzaamheid.

Gabriel Marcel

Gabriel Marcel

Volgens Gabriel Marcel lukt de vervulling alleen als ik deze zoek in datgene wat groter is dan ikzelf. De uiteindelijke vervulling kan ook niet zijn in het onpersoonlijke (spijtig voor boeddhisme & new age ). Het moet minimaal persoonlijk zijn en minimaal menselijk.Dan komen we uit bij God. De mens is immers uit God en God gaat boven ons uit. ‘Transcendent boven alles uit en immanent aanwezig’ is de formule die we lenen uit de theologie.

Dit is door sommigen ook wel het exitentialistisch godsbewijs genoemd, maar omdat bewijs in een existentialistisch kader moeilijk een algemeengeldend karakter kan hebben, klinkt dit ongepast. God bewijzen dient alleen een persoonlijk nut en hooguit een beperkt intersubjectief doel. Christelijke existentialisten zullen er misschien op wijzen, dat God zich in onze ervaring aandient en Hij meer en groter is dan de wereld van het rationele kennen (Ik ben dus ik denk). God gaat daar bovenuit en leren we kennen in een persoonlijke gerichtheid tot hem, voorbij het rationele. Niet alleen met ons verstand, maar met ons hart, ziel en verstand. Met alles wat we hebben staan we dan voor God in het besef dat we in een verhouding tot onszelf staan en zo ook in een verhouding tot God. Dat lijkt me een persoonlijk contact met de levende God.

Meestal niet onmiddelijk zichtbaar en niet onmiddelijk hoorbaar. God laat zich aan mij en aan anderen veelal indirect kennen en voedt zo mijn vertrouwen dat Hij er is, als de IKBEN.

Wanneer we deze cirkel tot in het uiterste zijn gegaan en onze vervulling in God beleven, dan kunnen we daar niet blijven. We zullen weer moeten landen in het leven van alledag, in het mededeelbare, de taal en de symbolen kunnen verwijzingen zijn naar deze ongrijpbare wereld, maar de incarnatie in vlees en bloed is onvermijdelijk. Dit is voorwaarde om deze ervaring te kunnen delen met anderen en ons te kunnen verbinden.

Dat kan “hebben en zijn” dus tot een praktisch ervaring maken, waarbij we via de inkeer beseffen dat niets wat we hebben ervaren ons kan vervullen. Wanneer we dit bij God kunnen vinden dan ontstijgen we het mededeelbare in een persoonlijk contact en wordt het weer vlees en bloed als we hierover met anderen willen spreken.

Dan is het bijzonder dat de bijbel spreekt over een God die afdaalt naar mensen. Jezus Christus incarneerde als God onder de mensen. Werd mens zoals wij (zie kerst). Omdat Hij incarneerde als mens, ons menszijn aandeed en zo ook onze ziekte, vreugde, zonde en pijn in zijn ervaring meemaakte en na zijn opstanding weer terug ging naar God in de hemel, is de cirkel voor ons mogelijk geworden naar God. Het is de cirkel van de Goddelijke incarnatie en de hemelvarende mens Christus Jezus, waarin Vader Zoon en Heilige Geest de cirkel rondmaken.

Een invulling die ik bij Marcel nog niet ben tegengekomen. Maar ik moet genoeg lef hebben om af en toe een eenzame weg in te gaan en mij op paden begeven waar ik (nog) geen bijval krijg. Misschien zie ik later wel dat het een weg was die al velen hebben bewandeld, misschien ook niet…

Een avontuurlijke reis die mij doet denken aan Tolkien’s sprookje “De smid van Groot-Wolding”.

verder zoeken?

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hermeneutiek

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hans-Georg_Gadamer

http://nl.wikipedia.org/wiki/Wilhelm_Dilthey

http://www.bol.com/nl/p/boeken/sprookjes-en-vertellingen/666861225/index.html

Read Full Post »

Het proces van ‘hebben’ naar ‘zijn’ kan je als het om de menselijke ontwikkeling gaat, misschien wel het best samenvatten met: “worden wie je bent”

In dit proces zit ik bij aanvang in een fase van ‘zomaar-zijn’. Dan word ik mij op een gegeven moment bewust van deze staat van zijn. Dan treed de vervreemding op en wordt ik mij bewust van ervaringen die mij hebben gemaakt tot wat ik nu ben. Ik wordt mij bewust van ervaringen die ik ‘heb’.

Dit kunnen concrete ervaringen zijn, dingen die ik heb geleerd, leuke ervaringen die mij bevestigen in mijn kunnen. Dit kan ook een besef zijn van wat ik nu heb aan overtuigingen, gevoelens en gedachten. Het kan zomaar zijn dat ik mij toch schuldig voel ten opzichte van mensen omdat ik iets heb nagelaten wat ik moest doen. Deze gevoelens kunnen behulpzaam zijn als signaal in het relationele verkeer. Maar natuurlijk ook een gewaarwording van van vrienden om mij heen die mij steunen of van een God die van mij houdt.

Als het gaat om mijn ontwikkelingsproces ontkom ik niet aan de rol van en mijn relatie met mijn ouders. Mijn bewustwording van mijn relatie met m’n ouders gebeurt al vroeg. In mijn pubertijd vind er een belangrijk moment plaats. Ik ga dan in een proces van “zomaar-kind-zijn” naar “bewust-kind-zijn”. Dit gebeurt vaak via een tegenreactie. Daarvoor was alles nog een geheel en was ik ‘vanzelfsprekend’ al aangepast aan mijn ouders en mijn omgeving. Mijn moeder was een schat en mijn vader een held.

Dan komt er een soort breuk die gepaard gaat met bewustwording en afkeuring van m’n ouders. Ik wil mijn ‘eigen’ pad kiezen, maar mijn vrienden worden ook belangrijker. Ik ga me schamen voor m’n ouders en ik wil anders zijn, mezelf onderscheiden. Dit kan soms heel heftig gepaard gaan met conflicten en agressie. Een goed tegenspel van de ouders kan bijdragen aan het behoud van een gezonde hechting. Als ouder draag je bij aan een gezonde hechting door het kind te stimuleren in verbondenheid maar vooral ook in zelfstandigheid. Dat laatste is vaak moeilijker voor ouders.

In deze ontwikkeling naar zelfstandigheid is er ook vaak angst en onzekerheid aanwezig. Het is bekend dat een baby in de “nee-fase” extra angsten ontwikkelt voor verlies van de ouders. Met het ‘nee-zeggen’ tegen de ouders wordt immers de relatie onder spanning gebracht. Angst voor de vrijheid (vgl. Fromm) kan dus zijn de angst voor contact-verlies of de angst voor de eenzaamheid en misschien wel ten diepste angst voor het niet-zijn, als we ervan uitgaan dat we een ‘ik’ kunnen zijn door de ‘ander/Ander’. Maar dat wordt weer filosofisch…

In de psychologie is het ook bekend dat dochters vaak moeilijker tot zelfstandigheid komen dan jongens. Dat heeft dan te maken met de moedersymbiose. De eenheid tussen moeder en kind is vanaf de baarmoeder enorm sterk. Het kind groeit op en ontwikkelt een eigen identiteit. Echter omdat de meisjes lichamelijk meer op de moeder lijken is het voor hen moeilijker in hun ontwikkeling naar zelfstandigheid. Zo leren psycho-analytici.

Vanuit het zomaar-zijn volgt dus de bewustwording van datgene wat je hebt (invloed van ouders etc). Wat heb ik in mij aan invloeden uit mijn verleden? Welke ervaringen hebben mij gevormd? Hoe was mijn relatie tot mijn ouders? Waarin heb ik dingen gemist en waarin heb ik dingen ontvangen? Hoe ben ik omgegaan met mijn loyaliteit t.o.v mijn ouders? Welke verlangens zijn onderweg opgedroogd omdat er niet in werd voorzien?

Dit hoeft niet uit te monden in eindeloos navelstaren. Je bewustworden in wat je hierin aan vorming hebt ontvangen, maakt je ook weer bewust hoe je bent geworden tot wat je nu bent en vooral ook om zo je beleving van jezelf te ontplooiien. Je zelfbeeld wordt ingevuld al naar gelang je bewustwording van je verleden en van je heden. Ook reacties van mensen om je heen kunnen hiertoe bijdragen.

Bewustwording van je behoefte aan loyaliteit naast je behoefte aan vrijheid, kan je motiveren om ook te zorgen voor je loyaliteitsbanden. Volgens Nagy heeft een kind altijd deze loyaliteit in zich. Naast fysieke- en psychologische factoren speelt ook de relationele ethiek een belangrijk rol in de ontwikkeling. Door het besef van al deze factoren kom je tot een besef van wat je ‘hebt’ aan vorming en overtuigingen.

Maar dit beeld blijft altijd open en onafgerond. Telkens groeit je bewustzijn en doe je nieuwe ervaringen op. Dat maakt ‘zijn’ dus altijd ‘worden’. Juist omdat ik een geschiedenis achter mij ‘hebt’ en een toekomst voor me ‘hoopt’, is mijn ‘zijn’ altijd ‘worden in de tijd’.

Maar het groeien in dit besef van mijn ‘hebben’, is noodzakelijk om ook tot deze ontwikkeling te komen. Door dit besef zal ik genoodzaakt zijn om te reageren. Dit kan met gedachten, gevoelens maar ook met daden wanneer ik bijvoorbeeld besef dat ik tekort schiet in mijn loyaliteit aan mijn ouders.

Er zijn verschillende therapeutische stromingen die dit terrein van ‘hebben’ exploreren om zodoende het probleemoplossend vermogen van de mens te vergroten. Ik noemde al de contextuele therapie van Iwan Boszormeni-Nagy (spreekt uit als nodsj) die wijst op loyaliteitsbanden en op zoek gaat naar roulerende rekeningen. Hoe kan je een positieve draai geven aan je familie-erfenis. Maar ook Hellinger met zijn gezinsopstellingen lijkt mij een bijdrage aan de exploratie van de sfeer van het hebben. “Erkennen wat er is”, is een kreet dit ik daar veel tegenkom. Roel Bouwkamp, doet ook een duit in het hebben-zakje als hij in de mens twee “rollen” signaleert. De zorgende moeder en de structurerende vader. Als je je bewust wordt in wat je hierin hebt ontvangen en wat je hierin mist en zodoende tot goede verhoudingen komt waarbij het receptieve in harmonie met het vormende is dan kom je tot een verbreding van je bewustwording en je vermogen om actief te sturen en kan je problematisch gedrag beter corrigeren. Symptoomgedrag wordt dan in de receptieve houding ontvangen en ge-exploreerd, waardoor er bewust op kan worden gereageerd vanuit de vormende rol. Verandering lijkt dan mogelijk.

De gestalttherapie gaat uit van de awareness-gedachte. Een groei in bewustwording van jezelf en confrontatie met je eigen ontwikkeling en gevoelens geven je meer diepgang in het contact met anderen. Daarvoor is het wel nodig dat je bewust omgaat met je eigen projecties (samenvloeien) en telkens weer komt tot erkenning van jezelf en de ander (deflectie) “Ik ben ik en jij bent jij!”

Van zomaar-zijn naar bewust-hebben en uiteindelijk ook weer bewust-zijn is de route die mij nuttig lijkt voor een overkoepelend ervaringsgericht model om jezelf te ontwikkelen in relatie tot de ander, waarbij je ook nog eens een bijdrage kunt leveren tot de groei van de ander.

Ervaringsgericht bedoel ik hier niet als methodisch foefje, maar als een wezenlijke keuze die aan de theorievorming vooraf gaat. Existentieel zijn we verbonden met de ander (en onze omgeving) en komen we dit het eerst tegen in onze ervaring. Verbondenheid kan niet worden bedacht, maar wel worden ervaren, beseft of zo je wilt worden beleefd. De ervaring kan immers meer bieden dan het denken kan bevatten.

Dat lijkt me een visie die ik in de bijbel herken. De grote nadruk op ‘getuigenis’ gaat voorbij aan het probleem van subjectiviteit/objectiviteit. Getuigenis heeft per definitie een subjectief karakter en we hoeven hier niet minderwaardig over te doen.
Daarnaast lezen we in de bijbel dat God ons leert wie Hij is door goed te kijken naar onszelf en elkaar. Hierin speelt Christus een centrale rol. In Zijn uitnodigende acceptatie mogen we we ook accepterend naar onszelf kijken. De wandel in het licht waar de eerste Johannesbrief over spreekt, zegt ook iets over transparantie en openheid. Zo open leven voor God en je naaste in het besef dat God getrouw en rechtvaardig is om onze zonden te vergeven, kan ons vrijmoedig maken naar God en elkaar. Er is geen veroordeling meer. We mogen vrij zijn van het oordeel van God, onszelf en van elkaar. We mogen vrijmoedig zijn om lief te hebben en elkaar te dienen en om met elkaar te delen in wat we van God hebben ontvangen. In de volle betekenis van het woord.

Ik zeg bewust “mogen” en “kan maken” omdat dit niet altijd door onze ervaring wordt bevestigd. Het is een belofte waarin we mogen groeien en een toekomst waar we hoopvol naar uit mogen zien.

Ronald

Read Full Post »

Nu denk je misschien: hey wat vreemd de oficiele stelling luidt toch niet zoals in de titel maar is “Ik denk, dus ik besta” (cogito ergo sum). Dat klopt helemaal. Deze titel is de reactie van Gabriel Marcel op de oficiele stelling. Deze stelling van Descartes heeft volgens mij de wereld geen goed gedaan. De mens is (mede) hierdoor in een soort verscheurdheid terecht gekomen die zijn weerga niet kent. De mens is opgesloten in zichzelf en zijn denken. Zo is hij/zij het gezonde contact met mensen en andere schepsels buiten hem/haar kwijtgeraakt. Met deze mening ben ik niet de eerste, want meerdere mensen voor mij delen deze mening (vgl. Stephen Toulmin in “Een schitterend ongeluk” – VPRO). Het is niet zozeer dat ik deze mensen naspreek omdat ze goede argumenten voor hun mening hebben, maar via mijn ervaring vond ik herkenning in de analyse van deze mensen.

De filosofie na Descartes kan je misschien wel zien als pogingen om de kloof tussen subject en object te overbruggen. Dit zie ik vooral bij Husserl, Heidegger, Gadamer, Levinas etc. Maar daarover misschien een andere keer.

Waar het mij hierom gaat is de aansluiting op het thema van deze blog: Een bewust ‘verbindend’ omgaan met “zijn en hebben” in de verscheurdheid die we in onze ervaring tegenkomen. Het besef dat ik besta, ligt dan in de sfeer van “zijn”. Misschien niet eens zozeer mijn bestaan zelf, alswel ‘mijn besef dat ik besta’ of meer nog ‘mijn besef dat ik besef dat ik besta’. Dit lijkt misschien een woordenspel, maar is het geenszins. Het heeft voor mij alles te maken met een bewustwordingsbesef. Dit leven op ‘meta-niveau’ valt als “zijn” te typeren. Het denken valt voor Marcel toch echt in de sfeer van het hebben valt. Gedachten kan je immers ‘hebben’ en met woorden is er “beheersing” (vgl. Levinas in Het menselijk gelaat).

De ervaring gaat de aan gedachten vooraf. De ervaring kent immers ook voelen en zien zonder ‘denken’. Daarom kan ‘denken’ voor Marcel nooit het uitgangspunt zijn, zoals de formulering van Descartes doet vermoeden. Marcel was immers ook dramaturg en muzikant, waardoor hij ook bezig was met de ervaring van gevoel en klank.

Gabriel Marcel wil hierin nauw aansluiten bij wat hij ervaart. Hierbij wil ik niet zeggen dat dit niet de bedoeling is geweest van Descartes. Maar zijn methodische twijfel (we krijgen alleen ‘kennis’ van iets buiten ons wanneer we er een rationele onderbouwing voor hebben) en zijn nadruk op het denken en het subject lijken mij vatbaar voor een ongezonde verbondenheid tussen mens en omgeving. Zelfs als kennismethode vind ik hem te geconstrueerd. We gaan van heel veel dingen uit zonder dat we er een rationele onderbouwing voor hebben die ook nog eens is terug te voeren op onbetwijfelbare ‘fundamentele’ uitgangspunten. Als iemand tegen je zegt dat je gulp openstaat dan reageer je op het woord gulp waarschijnlijk met schrik je en kijk je direct en handel je meteen door er naar te voelen. Daarvoor heb je geen rationele argumentatie nodig. Als je verliefd bent dan speelt rationele argumentatie ook geen rol om jezelf te overtuigen van je verliefdheid voor de ander.

Deze subject-objectscheiding (zoals Descartes hem onder woorden brengt) heb ik aan der lijve gevoel in mijn dilemma tussen verstand en gevoel. In een levensfase waarin ik grote nadruk op mijn verstand legde, werd ik steeds meer geconfronteerd met mijn beperkingen. In mijn contact met mensen om mij heen, voelde ik dit als een belemmering. Spontane reacties waren mij in die tijd vreemd, omdat de informatie van buitenaf eerst moest worden verwerkt in mijn denken. Als ik het begreep of er woorden aan gaf dan kon ik terugreageren met met woorden en zelfs ook gevoelens. Dit heb ik een periode vrij extreem zo beleefd.

Mede omdat ik mijn worsteling herkende in Toulmins reactie op Descartes. En ook al eerder bij denkers als Husserl en Heidegger. Maar dat is een blog appart (of misschien wel meerdere blogs).

Bij Marcel vind ik een praktisch herkenbaar gegeven in de ervaring als uitgangspunt. De ervaring heeft niet persee het laatste woord, maar het is voor mij wel de manier geweest om een gezonde (?) houding te ontwikkelen naar mijn omgeving. In de “volheid” van de ervaring zit namelijk een grote diversiteit die de mens meer rechtdoet als creatief schepsel met intuities, verlangens en gevoelens. Wanneer ik de ratio als prioriteit verheft komen deze “functies” bij mij in het gedrang. In de psychologie is dit ooit rationalisatie genoemd. Een afweermechanisme dat onprettige gevoelens en ervaringen op een verstandelijke manier reduceert of vervormd. Een van de eerste definities kan je vinden in Anna Freud’s afweermechanismen.

Hoe kan ik bijvoorbeeld liefde ervaren wanneer ik dit eerst moet begrijpen? Hoe kan ik verwondering beleven als ik dit in definities en concepten wil vatten? De ervaring barst immers altijd uit de woorden en de begrippen. Om Kierkegaard maar eens creatief te citeren.

Maar de weg naar het zijn loopt voor mij wel vaak door mijn ervaring via het hebben. Bewust van wat ik heb aan ‘bezit’ ervaar ik dat ik meer ben dan mijn bezit.

“Ook al groeien geld en goed, houd je hart er vrij van!” (psalm 62:11b)

Dat maakt zijn-en-hebben tot een meditatief moment. In het moment van deze ‘inkeer’ komen we vanuit ons zomaarzijn tot ons bewustzijn. Hierbij overstijgen de de sfeer van ons hebben. We reflecteren erop. Maar onze reflectie lijkt me rijker dan woorden alleen. Het houdt voor mij ook gevoelens in. En op de reflectie in mijn gedachten en gevoelens kan ik ook weer reflecteren met gedachten en gevoelens. Daar kan ik mij bijvoorbeeld verwonderen over mijn gedachten en gevoelens en beseffen dat alles in mij en buiten mij niet in woorden is te vatten en mijn denken te boven gaat, brengt mij in verwondering.

Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven ik kan er niet bij. (psalm 139)

Voor de antieke filosofen was de verwondering ook het uitgangspunt van het denken. Taalkundig zeg je ook dat je verwondert ‘bent’ en niet dat je verwondering ‘hebt’.

Alleen is er bij mij telkens weer de ervaring dat woorden tekort schieten. En daarom kan het bestaan nooit worden herleid tot woorden alleen. Iemand die graag een (zogenaamd) wetenschappelijk wereldbeeld wil vasthouden, komt hier in logische problemen. De wereld die wij ervaren is altijd rijker dan wat de regels van de consensus in wetenschap toestaat en is ook altijd persoonlijker dan de algemeenheden daarin. Wetenschap is immers gebonden aan regels die we met elkaar afspreken en waarover zelfs nog een diversiteit aan opvattingen mogelijk is.

De wereld die wij ervaren is dus ook altijd rijker dan de woorden die we hebben. Dat is een ervaring van hebben naar zijn! Mijn woorden schieten tekort en mijn ervaring is rijker. Wat kan mijn ervaring omvatten en rechtdoen. Laat staan hoe ik mijn ervaring ten volle kan delen.

Dit lijkt me een basaal verlangen die ik bij mezelf ervaar en die ik gelukkig ook ontmoet bij anderen. Misschien lukt het dan niet om alles te delen wat we ervaren, maar dan kunnen we altijd nog de ervaring dat we dit verlangen hebben met elkaar delen.

Dus nog even over de stelling “Ik besta dus ik denk”: Mijn bestaan kan dus nooit vooraf worden gegaan door ons denken (alleen). Elke menselijke (re)act impliceert mijn “zijn”. Analytisch wordt dit duidelijk als ik ‘zijn’ logisch wil definieren. Dan ‘is’ namelijk al het woordje “is” nodig en een definitie met het te definieren woord erin, lijkt me niet echt een bijdrage aan verheldering.

Maar voorbij en vooraf aan deze logische aangelegenheid zie ik een belevingskant van deze kwestie, met het risico dat mensen zich in hun denken kunnen opsluiten, kunnen isoleren, een aan-autisme-verwant risico lijkt mij dan een passende term, als je bedenkt dat voor Descartes alle “zuivere kennis” in ons aanwezig is en we het niet nodig hebben om ons door de ervaring te richten tot de uitwendige wereld der objecten.

Maar het is alweer even geleden dat ik Descartes las, dus als ik deze man onrecht aandoe met mijn woorden dan mag dit zeker worden geroepen.

Hoe-dan-ook de kern van mijn betoog blijft staan. Een goed besef van hebben en zijn, kan bijdragen aan heelheid in jezelf en aan verbondenheid met de schepping om je heen. De verbondenheid met de schepping en met delen in jezelf gaat aan het denken en aan de rationaliteit vooraf. De weg van de ervaring is voor mij het meest bevrijdend, maar wel met het besef dat er meer is dan wat ik ervaar en dat zelf mijn ervaring daarom nooit afdoend is om de werkelijkheid te bevatten.

Dit is niet alleen bevorderend voor mijn heelheid, maar behoed mij ook voor grootspraak en overmoed. Zoals Heschel twee houdingen vergelijkt: Enerzijds de logisch positivisten die zeggen: nog even en we begrijpen heel de wereld en het heelal en wat we nu nog niet begrijpen komt straks wel. En anderzijds de houding van verwondering waarbij we de schoonheid en de complexiteit van de zandkorrel ontdekken en ons verbazen dat er een heel strand vol is met verschillende zandkorrels. De houding die natuurkundige Blaise Pascal verwoord als hij het heeft over Gods grootheid in het kleine van de schepping (moleculen) en in het grote van de schepping (het heelal).

Ronald

In voorbereiding: “zijn-en-hebben” in de ontwikkelingspsychologie en de persoonlijkheidsvorming. Het kind dat de vader- en de moederrollen verinnerlijkt en in reactie daarop zich zal ontwikkelen. En de therapie die – vanuit een zomaarzijn – mensen uitdaagt tot bewustzijn waardoor er keuzevrijheid kan ontstaan voor gedragsverandering.

Read Full Post »

“Alleen degenen die dagen doorleefd hebben waarin woorden betekenisloos waren, waarin de prachtigste theorieën klonken als schuttingtaal, alleen zij die het uiterste niet-weten, het stemloos zijn van een door het wonder getroffen ziel, de totale sprake–loosheid hebben ervaren, zijn in staat om zich te begeven in de betekenis van God, een betekenis groter dan de menselijke geest. Er is een eenzaamheid in ons die luistert. Als de ziel het gezelschap van het ego en zijn gevolg van onnozele ideeën verlaat; wanneer we ophouden met het uitbuiten van alle dingen en in plaats daarvan de kreet van de wereld, het zuchten van de wereld smeken, dan hoort onze eenzaamheid misschien de levende genade die alle macht te boven gaat.

We moeten eerst in de duisternis turen, ons gewurgd en begraven voelen in de hopeloosheid van het leven zonder God, voor–dat we gereed zijn om de nabijheid van zijn levende licht te ervaren.”

Abraham Joshua Heschel in “God zoekt de mens” h13.3

Abraham Joshua Heshel (1907-1972) was joods filosoof en rabbijn, geboren in Polen en tijdens de oorlog verhuisd naar de States. In dit boek doet hij in de eerste hoofdstukken een poging om geloof te positioneren ten opzichte van wijsbegeerte en wetenschap en geeft hij aan dat geloven alles te maken heeft met gebeurtenissen en ervaringen. Hij maakt allereerst in zijn boek onderscheid tussen concepten en gebeurtenissen. Geloof behoort tot de sfeer van gebeurtenissen. Israel had immers ervaringen met God meegemaakt, waarvan de getuigenissen werden opgeschreven in de bijbel. Dit geldt m.i. ook voor het nieuwe testament. De Grieken hielden zich vooral bezig met concepten.

Als geloof tot de sfeer van gebeurtenissen behoort komt het ook via onze ervaring bij ons binnen. De ervaring van God’s aanwezigheid of het uitblijven van deze ervaring. De ervaring van het lezen van de bijbel waarin we ervaren dat God spreekt of het uitblijven van deze ervaring. Ook de ervaring van anderen die we door getuigenissen krijgen overgeleverd kunnen we op betrouwbaarheid toetsen. De ervaring telt, maar het uitblijven van de ervaring telt ook. Maar de cattegorie van de gebeurtenis is er altijd openheid, want we staan open voor nieuwe ervaringen van gebeurtenissen. Dit geldt wat mij betreft ook voor mijn geloofservaringen.

De ervaring die Heschel hier beschrijft, is de ervaring van onze eenzaamheid die we ervaren als we door het wonder worden getroffen en woorden en theorien betekenisloos zijn geworden. Dit lijkt misschien wat spectaculair omdat we niet altijd de wonderen als wonderen in onze ervaring beleven. Voor Heschel heeft dit te maken met onze (on)gevoeligheid voor het wonder.

Voor Gabriel Marcel is de eenzaamheid wat dichterbij en kan ik dit ervaren in het ondeelbare van mijzelf met de mensen om mij heen. Tot op zekere hoogte kan ik ‘mezelf’ met mensen delen, maar hoe ‘dieper’ ik in mijn ervaring kom, hoe meer ik merk dat woorden tekort schieten en dat het delen met anderen dus niet mogelijk is. Een gevoel van eigenheid gaat dan samen met het het gevoel van eenzaamheid. Deze eenzaamheid die we kunnen ervaren luistert. Het is een eenzaamheid die niet met mensen kan worden gedeeld maar wel vraagt om gedeeld te worden.

In termen van benedictijner monnik Anselm Grün lijkt Heschel onze existentiele eenzaamheid te beschrijven in termen van “spiritualiteit van boven” (vanuit de openbaring > het wonder is er door God gegeven en als wij het ervaren dan bewerkt dit aanvankelijk een eenzaamheid) en Marcel in termen van “spiritualiteit van beneden” (vanuit de menselijke ervaring > waar komen wij onze eenzaamheid tegen en hoe gaan we ermee om). Misschien zijn het wel twee kanten van dezelfde medaille.

Zo wordt eenzaamheid ook een besef van “zijn”. Misschien wel beleeft als de onaangenaam isolement, maar soms ook als aangenaam besef van eigenheid. Beide gevoelens kunnen ontstaan wanneer we onze eigenheid, identiteit, uniciteit beleven. Dit lijkt Emanuel Levinas te omschrijven met termen als “anders zijn” en de ander, zelfs de oneindige ander. Deze ervaring van ons anders zijn loopt volgens Levinas altijd via de ander. Misschien het eerst wanneer ik ontdek dat ik anders ben dan mijn ouders en mijn broer of zus. Niet voor niets hebben volgens de psychologie meisjes meer moeite om uit de moedersymbiose te komen dan jongens.

Martin Bubers formulering is dat het ik, ik wordt door het gij, vanuit het grondwoord ik-gij. Het begint bij een ‘symbiose’ of confluentie (Perls) maar het ik zet zich af omdat het zijn eigenheid beleeft. Deze groei houdt eenzaamheid in.

Deze eenzaamheid geeft ons het besef dat we niet alles met mensen kunnen delen. Deze eenzaamheid kan ons gevoelig maken voor Degene met wie we wel alles kunnen delen. Volgens mij was het Goethe die al zei: “Over heel wat dingen kan ik alleen met God spreken.”

Niet alleen gaan we in onze ervaring voorbij aan de anderen, we beleven ook een eenzaamheid in onszelf die ons afkeert van de dingen, ons ego en onze onnozele gedachten. Zo gaat onze ervaring aan deze dingen voorbij en strekt zich uit naar “de levende genade die alle macht te boven gaat”.

De incarnatie maakt de beweging andersom. Het laat zien dat er een weg is die terugvoert naar de concretisering, naar mijn mens-zijn. De grote God wordt in Jezus Christus mens als ik en daalt af in mijn bestaan. Hij neemt deel aan ons ‘hebben’ (lichaam, ouders etc) en krijgt zo deel aan ons ‘zijn’. Zonder God’s afdaling zijn we overgelevert aan de metafysica en andere theoretische systemen of ‘wereldgeesten’. God daalde af en kwam in onze concrete ervaring. De apostelen hebben hebben gezien, gehoord en gevoeld. Voor en na de dood en opstanding van Jezus. En van deze ervaring hebben zijn getuigd. Hun getuigenis komt bij mij binnen via de ervaring van het horen en later ook via het lezen. Zoals Jezus in Joh 17 bidt: Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven.

Het is de ervaring van het horen/lezen wat ons overtuigd van Gods spreken. Of dit nu door de bijbel is of door de andere verwijzingen naar God en zijn genade voor ons. De bijbel is de verkondiging van de apostelen van Jezus. En daarna volgen de vele getuigenissen van mensen in de geschiedenis die God hebben beleefd in Jezus Christus.

Ook hierin gaat het geloof vanuit de ervaring van het hebben naar het zijn. De boodschap die we hebben ontvangen, vraagt om een reflectie en een reactie. Misschien zijn we nog niet gelijk overtuigd, zoals Thomas die meer nodig had dan het getuigenis van de anderen. Hij wilde het zelf meemaken. Jezus wees hem hierom niet af maar kwam hem hierin tegemoet. Thomas voelde de wonden van Jezus en noemde Hem zijn Heer.

We hebben de uitnodiging ontvangen in woorden, en reageren hierop met onze gedachten en overwegingen maar het is vanuit de sfeer ons zijn waarin wij elke keer weer onze positie bepalen. Voorlopig afwijzend of aanvaardend.

Hierin noemt de bijbel ook de werking van Gods Geest, maar ik wil het nu maar even houden bij onze individuele verantwoordelijkheid.

Ronald

===

Meer over Heschel lezen?

http://nl.wikipedia.org/wiki/Abraham_Joshua_Heschel

Via de link in de kantlijn kom je op de site waar zijn boek online staat gepubliceerd.

Read Full Post »

Older Posts »