Feeds:
Berichten
Reacties

Als het om leermodellen gaat, heeft het model van Kolb nog steeds een praktische waarde. Dit model laat zien op welke manier mensen leren. Het gaat er van uit dat elk mens een persoonlijke leerstijl heeft. De een leert meer door zijn eigen ervaring te observen en de ander leert meer door de toepassing van richtlijnen. Dat heeft Kolb in schema gebracht. Elk mens heeft zo een eigen leerstijl. Ik heb dit schema veel gebruikt bij de begeleiding van studenten. Het heeft me geleerd dat niet iedereen dezelfde leerstijl heeft als ik. De een leert veel door het lezen van boeken en de ander moet gewoon maar aan de slag en terugkijken op zijn eigen ervaring.

leercyluskolbDit model laat ook zien hoe praktisch filosofie kan zijn. Het model is namelijk het schema wat is terug te voeren op de hermeneutische filosofie. Namen die hierbij horen zijn Wilhelm Dilthey en Hans-Georg Gadamer.

In hun onvrede op het subject-objectschema van Descartes, kwamen zij tot hun hermeneutische kennismethode. Kennis was niet langer meer een speurtocht naar de ongrijpbare objectieve kennis in onszelf. Het besef drong door dat al ons kennen subjectief is en plaatsvindt in de tijd. In de hermeneutische visie verkrijgen we kennis door onze ervaring waarop we reflecteren en vervolgens abstraheren tot algemene concepten. Vanuit die algemene concepten benaderen we via praktische lichtlijnen de werkelijkheid die we tegenkomen in onze ervaring. En zo is de cirkel rond. Het maakt dus niet uit waar je instapt.

Deze cirkel verheldert voor mij ook de ervaring van hebben en zijn. Deze ervaring kan je immers ook voorstellen in een cirkel. Hebben is meestal de laag waar we beginnen, de concrete ervaring bij Kolb. De ‘hebben en zijn cirkel’ overstijgt echter de cirkel van Kolb, want met concepten ontstijgen we nog steeds niet ‘de sfeer van het hebben’. Concepten kunnen we immers ‘hebben’. Vanuit het hebben – waar ook de taal een belangrijk rol speelt als we reflecteren en met anderen communiceren – komen we in de existentiele cirkel tot het einde van het mededeelzame. Door het besef dat we meer zijn dan wat we hebben, overstijgen we in onze ervaring de sfeer van het hebben. Dit is de ervaring van het ‘zijn’. Of eigenlde ervaring van het feit dat we dit beseffen, is zijn.

Zo zou je een schema kunnen maken met een kleinere hermeneutische cirkel die nog altijd in het mededeelzame blijft en daaromheen nog een hogere existentiele cirkel die uitstijgt in de onmededeelbare individuele. Een soort elips met een shortcut.

In de existentiele cirkel worden we uiteindelijk geconfronteerd met onze uniciteit, in dit besef ervaren we dus ook vaak eenzaamheid. Uniciteit en eenzaamheid gaan vaak samen.

Henri Nouwen noemt in zijn boekje “Open uw hart” drie wegen: de weg naar jezelf, -de ander en -God. De eerste weg naar jezelf: “van eenzaamheid naar alleen-zijn”. Dat is een weg naar een positieve omgang met je uniciteit als houding naar jezelf. Hier valt nog meer over te zeggen.

Het gaat me nu om het moment dat we deze zijns-beleving ervaren. Het is de ervaring dat we ons ‘zelf’ niet kunnen vullen met wat we hebben. Naast eenzaamheid, uniciteit, kunnen we hierin ook leegte ervaren. En omdat eenzaamheid en leegte onrustig maken en om vulling/aanwezigheid vragen, gaan we op zoek. We kunnen dan weer in de cirkel naar de sfeer van het ‘hebben’ en ons vullen met nog meer ‘hebben-dingen’, waar we vervolgens weer zullen ontdekken dat we ons niet kunnen vullen met hebben-dingen. Filosofisch gezegd: dat is een categorische fout.

Zo was er een popster die bij een poging tot zelfmoord deze worsteling liet zien. Hij sprak over zijn zoektocht naar vervulling, waar geld en rijkdom niet in kon voorzien. De illusie dat geld zijn leegte kon vullen moest hij inleveren. De ondraaglijkheid van deze leegte dreef hem tot wanhoop. Illusies zijn tijdelijke vullingen van onze leegte.

Sommigen noemen hier de liefde als de ultieme vervulling. Met liefde kan je een eind komen. maar een ander mens kan nooit je uiteindelijke vervulling zijn. De verschillen gaan opvallen en daar kan leegte ontstaan en eenzaamheid.

Gabriel Marcel

Gabriel Marcel

Volgens Gabriel Marcel lukt de vervulling alleen als ik deze zoek in datgene wat groter is dan ikzelf. De uiteindelijke vervulling kan ook niet zijn in het onpersoonlijke (spijtig voor boeddhisme & new age ). Het moet minimaal persoonlijk zijn en minimaal menselijk.Dan komen we uit bij God. De mens is immers uit God en God gaat boven ons uit. ‘Transcendent boven alles uit en immanent aanwezig’ is de formule die we lenen uit de theologie.

Dit is door sommigen ook wel het exitentialistisch godsbewijs genoemd, maar omdat bewijs in een existentialistisch kader moeilijk een algemeengeldend karakter kan hebben, klinkt dit ongepast. God bewijzen dient alleen een persoonlijk nut en hooguit een beperkt intersubjectief doel. Christelijke existentialisten zullen er misschien op wijzen, dat God zich in onze ervaring aandient en Hij meer en groter is dan de wereld van het rationele kennen (Ik ben dus ik denk). God gaat daar bovenuit en leren we kennen in een persoonlijke gerichtheid tot hem, voorbij het rationele. Niet alleen met ons verstand, maar met ons hart, ziel en verstand. Met alles wat we hebben staan we dan voor God in het besef dat we in een verhouding tot onszelf staan en zo ook in een verhouding tot God. Dat lijkt me een persoonlijk contact met de levende God.

Meestal niet onmiddelijk zichtbaar en niet onmiddelijk hoorbaar. God laat zich aan mij en aan anderen veelal indirect kennen en voedt zo mijn vertrouwen dat Hij er is, als de IKBEN.

Wanneer we deze cirkel tot in het uiterste zijn gegaan en onze vervulling in God beleven, dan kunnen we daar niet blijven. We zullen weer moeten landen in het leven van alledag, in het mededeelbare, de taal en de symbolen kunnen verwijzingen zijn naar deze ongrijpbare wereld, maar de incarnatie in vlees en bloed is onvermijdelijk. Dit is voorwaarde om deze ervaring te kunnen delen met anderen en ons te kunnen verbinden.

Dat kan “hebben en zijn” dus tot een praktisch ervaring maken, waarbij we via de inkeer beseffen dat niets wat we hebben ervaren ons kan vervullen. Wanneer we dit bij God kunnen vinden dan ontstijgen we het mededeelbare in een persoonlijk contact en wordt het weer vlees en bloed als we hierover met anderen willen spreken.

Dan is het bijzonder dat de bijbel spreekt over een God die afdaalt naar mensen. Jezus Christus incarneerde als God onder de mensen. Werd mens zoals wij (zie kerst). Omdat Hij incarneerde als mens, ons menszijn aandeed en zo ook onze ziekte, vreugde, zonde en pijn in zijn ervaring meemaakte en na zijn opstanding weer terug ging naar God in de hemel, is de cirkel voor ons mogelijk geworden naar God. Het is de cirkel van de Goddelijke incarnatie en de hemelvarende mens Christus Jezus, waarin Vader Zoon en Heilige Geest de cirkel rondmaken.

Een invulling die ik bij Marcel nog niet ben tegengekomen. Maar ik moet genoeg lef hebben om af en toe een eenzame weg in te gaan en mij op paden begeven waar ik (nog) geen bijval krijg. Misschien zie ik later wel dat het een weg was die al velen hebben bewandeld, misschien ook niet…

Een avontuurlijke reis die mij doet denken aan Tolkien’s sprookje “De smid van Groot-Wolding”.

verder zoeken?

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hermeneutiek

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hans-Georg_Gadamer

http://nl.wikipedia.org/wiki/Wilhelm_Dilthey

http://www.bol.com/nl/p/boeken/sprookjes-en-vertellingen/666861225/index.html

Worden wie je bent

Het proces van ‘hebben’ naar ‘zijn’ kan je als het om de menselijke ontwikkeling gaat, misschien wel het best samenvatten met: “worden wie je bent”

In dit proces zit ik bij aanvang in een fase van ‘zomaar-zijn’. Dan word ik mij op een gegeven moment bewust van deze staat van zijn. Dan treed de vervreemding op en wordt ik mij bewust van ervaringen die mij hebben gemaakt tot wat ik nu ben. Ik wordt mij bewust van ervaringen die ik ‘heb’.

Dit kunnen concrete ervaringen zijn, dingen die ik heb geleerd, leuke ervaringen die mij bevestigen in mijn kunnen. Dit kan ook een besef zijn van wat ik nu heb aan overtuigingen, gevoelens en gedachten. Het kan zomaar zijn dat ik mij toch schuldig voel ten opzichte van mensen omdat ik iets heb nagelaten wat ik moest doen. Deze gevoelens kunnen behulpzaam zijn als signaal in het relationele verkeer. Maar natuurlijk ook een gewaarwording van van vrienden om mij heen die mij steunen of van een God die van mij houdt.

Als het gaat om mijn ontwikkelingsproces ontkom ik niet aan de rol van en mijn relatie met mijn ouders. Mijn bewustwording van mijn relatie met m’n ouders gebeurt al vroeg. In mijn pubertijd vind er een belangrijk moment plaats. Ik ga dan in een proces van “zomaar-kind-zijn” naar “bewust-kind-zijn”. Dit gebeurt vaak via een tegenreactie. Daarvoor was alles nog een geheel en was ik ‘vanzelfsprekend’ al aangepast aan mijn ouders en mijn omgeving. Mijn moeder was een schat en mijn vader een held.

Dan komt er een soort breuk die gepaard gaat met bewustwording en afkeuring van m’n ouders. Ik wil mijn ‘eigen’ pad kiezen, maar mijn vrienden worden ook belangrijker. Ik ga me schamen voor m’n ouders en ik wil anders zijn, mezelf onderscheiden. Dit kan soms heel heftig gepaard gaan met conflicten en agressie. Een goed tegenspel van de ouders kan bijdragen aan het behoud van een gezonde hechting. Als ouder draag je bij aan een gezonde hechting door het kind te stimuleren in verbondenheid maar vooral ook in zelfstandigheid. Dat laatste is vaak moeilijker voor ouders.

In deze ontwikkeling naar zelfstandigheid is er ook vaak angst en onzekerheid aanwezig. Het is bekend dat een baby in de “nee-fase” extra angsten ontwikkelt voor verlies van de ouders. Met het ‘nee-zeggen’ tegen de ouders wordt immers de relatie onder spanning gebracht. Angst voor de vrijheid (vgl. Fromm) kan dus zijn de angst voor contact-verlies of de angst voor de eenzaamheid en misschien wel ten diepste angst voor het niet-zijn, als we ervan uitgaan dat we een ‘ik’ kunnen zijn door de ‘ander/Ander’. Maar dat wordt weer filosofisch…

In de psychologie is het ook bekend dat dochters vaak moeilijker tot zelfstandigheid komen dan jongens. Dat heeft dan te maken met de moedersymbiose. De eenheid tussen moeder en kind is vanaf de baarmoeder enorm sterk. Het kind groeit op en ontwikkelt een eigen identiteit. Echter omdat de meisjes lichamelijk meer op de moeder lijken is het voor hen moeilijker in hun ontwikkeling naar zelfstandigheid. Zo leren psycho-analytici.

Vanuit het zomaar-zijn volgt dus de bewustwording van datgene wat je hebt (invloed van ouders etc). Wat heb ik in mij aan invloeden uit mijn verleden? Welke ervaringen hebben mij gevormd? Hoe was mijn relatie tot mijn ouders? Waarin heb ik dingen gemist en waarin heb ik dingen ontvangen? Hoe ben ik omgegaan met mijn loyaliteit t.o.v mijn ouders? Welke verlangens zijn onderweg opgedroogd omdat er niet in werd voorzien?

Dit hoeft niet uit te monden in eindeloos navelstaren. Je bewustworden in wat je hierin aan vorming hebt ontvangen, maakt je ook weer bewust hoe je bent geworden tot wat je nu bent en vooral ook om zo je beleving van jezelf te ontplooiien. Je zelfbeeld wordt ingevuld al naar gelang je bewustwording van je verleden en van je heden. Ook reacties van mensen om je heen kunnen hiertoe bijdragen.

Bewustwording van je behoefte aan loyaliteit naast je behoefte aan vrijheid, kan je motiveren om ook te zorgen voor je loyaliteitsbanden. Volgens Nagy heeft een kind altijd deze loyaliteit in zich. Naast fysieke- en psychologische factoren speelt ook de relationele ethiek een belangrijk rol in de ontwikkeling. Door het besef van al deze factoren kom je tot een besef van wat je ‘hebt’ aan vorming en overtuigingen.

Maar dit beeld blijft altijd open en onafgerond. Telkens groeit je bewustzijn en doe je nieuwe ervaringen op. Dat maakt ‘zijn’ dus altijd ‘worden’. Juist omdat ik een geschiedenis achter mij ‘hebt’ en een toekomst voor me ‘hoopt’, is mijn ‘zijn’ altijd ‘worden in de tijd’.

Maar het groeien in dit besef van mijn ‘hebben’, is noodzakelijk om ook tot deze ontwikkeling te komen. Door dit besef zal ik genoodzaakt zijn om te reageren. Dit kan met gedachten, gevoelens maar ook met daden wanneer ik bijvoorbeeld besef dat ik tekort schiet in mijn loyaliteit aan mijn ouders.

Er zijn verschillende therapeutische stromingen die dit terrein van ‘hebben’ exploreren om zodoende het probleemoplossend vermogen van de mens te vergroten. Ik noemde al de contextuele therapie van Iwan Boszormeni-Nagy (spreekt uit als nodsj) die wijst op loyaliteitsbanden en op zoek gaat naar roulerende rekeningen. Hoe kan je een positieve draai geven aan je familie-erfenis. Maar ook Hellinger met zijn gezinsopstellingen lijkt mij een bijdrage aan de exploratie van de sfeer van het hebben. “Erkennen wat er is”, is een kreet dit ik daar veel tegenkom. Roel Bouwkamp, doet ook een duit in het hebben-zakje als hij in de mens twee “rollen” signaleert. De zorgende moeder en de structurerende vader. Als je je bewust wordt in wat je hierin hebt ontvangen en wat je hierin mist en zodoende tot goede verhoudingen komt waarbij het receptieve in harmonie met het vormende is dan kom je tot een verbreding van je bewustwording en je vermogen om actief te sturen en kan je problematisch gedrag beter corrigeren. Symptoomgedrag wordt dan in de receptieve houding ontvangen en ge-exploreerd, waardoor er bewust op kan worden gereageerd vanuit de vormende rol. Verandering lijkt dan mogelijk.

De gestalttherapie gaat uit van de awareness-gedachte. Een groei in bewustwording van jezelf en confrontatie met je eigen ontwikkeling en gevoelens geven je meer diepgang in het contact met anderen. Daarvoor is het wel nodig dat je bewust omgaat met je eigen projecties (samenvloeien) en telkens weer komt tot erkenning van jezelf en de ander (deflectie) “Ik ben ik en jij bent jij!”

Van zomaar-zijn naar bewust-hebben en uiteindelijk ook weer bewust-zijn is de route die mij nuttig lijkt voor een overkoepelend ervaringsgericht model om jezelf te ontwikkelen in relatie tot de ander, waarbij je ook nog eens een bijdrage kunt leveren tot de groei van de ander.

Ervaringsgericht bedoel ik hier niet als methodisch foefje, maar als een wezenlijke keuze die aan de theorievorming vooraf gaat. Existentieel zijn we verbonden met de ander (en onze omgeving) en komen we dit het eerst tegen in onze ervaring. Verbondenheid kan niet worden bedacht, maar wel worden ervaren, beseft of zo je wilt worden beleefd. De ervaring kan immers meer bieden dan het denken kan bevatten.

Dat lijkt me een visie die ik in de bijbel herken. De grote nadruk op ‘getuigenis’ gaat voorbij aan het probleem van subjectiviteit/objectiviteit. Getuigenis heeft per definitie een subjectief karakter en we hoeven hier niet minderwaardig over te doen.
Daarnaast lezen we in de bijbel dat God ons leert wie Hij is door goed te kijken naar onszelf en elkaar. Hierin speelt Christus een centrale rol. In Zijn uitnodigende acceptatie mogen we we ook accepterend naar onszelf kijken. De wandel in het licht waar de eerste Johannesbrief over spreekt, zegt ook iets over transparantie en openheid. Zo open leven voor God en je naaste in het besef dat God getrouw en rechtvaardig is om onze zonden te vergeven, kan ons vrijmoedig maken naar God en elkaar. Er is geen veroordeling meer. We mogen vrij zijn van het oordeel van God, onszelf en van elkaar. We mogen vrijmoedig zijn om lief te hebben en elkaar te dienen en om met elkaar te delen in wat we van God hebben ontvangen. In de volle betekenis van het woord.

Ik zeg bewust “mogen” en “kan maken” omdat dit niet altijd door onze ervaring wordt bevestigd. Het is een belofte waarin we mogen groeien en een toekomst waar we hoopvol naar uit mogen zien.

Ronald

Ik besta, dus ik denk!

Nu denk je misschien: hey wat vreemd de oficiele stelling luidt toch niet zoals in de titel maar is “Ik denk, dus ik besta” (cogito ergo sum). Dat klopt helemaal. Deze titel is de reactie van Gabriel Marcel op de oficiele stelling. Deze stelling van Descartes heeft volgens mij de wereld geen goed gedaan. De mens is (mede) hierdoor in een soort verscheurdheid terecht gekomen die zijn weerga niet kent. De mens is opgesloten in zichzelf en zijn denken. Zo is hij/zij het gezonde contact met mensen en andere schepsels buiten hem/haar kwijtgeraakt. Met deze mening ben ik niet de eerste, want meerdere mensen voor mij delen deze mening (vgl. Stephen Toulmin in “Een schitterend ongeluk” – VPRO). Het is niet zozeer dat ik deze mensen naspreek omdat ze goede argumenten voor hun mening hebben, maar via mijn ervaring vond ik herkenning in de analyse van deze mensen.

De filosofie na Descartes kan je misschien wel zien als pogingen om de kloof tussen subject en object te overbruggen. Dit zie ik vooral bij Husserl, Heidegger, Gadamer, Levinas etc. Maar daarover misschien een andere keer.

Waar het mij hierom gaat is de aansluiting op het thema van deze blog: Een bewust ‘verbindend’ omgaan met “zijn en hebben” in de verscheurdheid die we in onze ervaring tegenkomen. Het besef dat ik besta, ligt dan in de sfeer van “zijn”. Misschien niet eens zozeer mijn bestaan zelf, alswel ‘mijn besef dat ik besta’ of meer nog ‘mijn besef dat ik besef dat ik besta’. Dit lijkt misschien een woordenspel, maar is het geenszins. Het heeft voor mij alles te maken met een bewustwordingsbesef. Dit leven op ‘meta-niveau’ valt als “zijn” te typeren. Het denken valt voor Marcel toch echt in de sfeer van het hebben valt. Gedachten kan je immers ‘hebben’ en met woorden is er “beheersing” (vgl. Levinas in Het menselijk gelaat).

De ervaring gaat de aan gedachten vooraf. De ervaring kent immers ook voelen en zien zonder ‘denken’. Daarom kan ‘denken’ voor Marcel nooit het uitgangspunt zijn, zoals de formulering van Descartes doet vermoeden. Marcel was immers ook dramaturg en muzikant, waardoor hij ook bezig was met de ervaring van gevoel en klank.

Gabriel Marcel wil hierin nauw aansluiten bij wat hij ervaart. Hierbij wil ik niet zeggen dat dit niet de bedoeling is geweest van Descartes. Maar zijn methodische twijfel (we krijgen alleen ‘kennis’ van iets buiten ons wanneer we er een rationele onderbouwing voor hebben) en zijn nadruk op het denken en het subject lijken mij vatbaar voor een ongezonde verbondenheid tussen mens en omgeving. Zelfs als kennismethode vind ik hem te geconstrueerd. We gaan van heel veel dingen uit zonder dat we er een rationele onderbouwing voor hebben die ook nog eens is terug te voeren op onbetwijfelbare ‘fundamentele’ uitgangspunten. Als iemand tegen je zegt dat je gulp openstaat dan reageer je op het woord gulp waarschijnlijk met schrik je en kijk je direct en handel je meteen door er naar te voelen. Daarvoor heb je geen rationele argumentatie nodig. Als je verliefd bent dan speelt rationele argumentatie ook geen rol om jezelf te overtuigen van je verliefdheid voor de ander.

Deze subject-objectscheiding (zoals Descartes hem onder woorden brengt) heb ik aan der lijve gevoel in mijn dilemma tussen verstand en gevoel. In een levensfase waarin ik grote nadruk op mijn verstand legde, werd ik steeds meer geconfronteerd met mijn beperkingen. In mijn contact met mensen om mij heen, voelde ik dit als een belemmering. Spontane reacties waren mij in die tijd vreemd, omdat de informatie van buitenaf eerst moest worden verwerkt in mijn denken. Als ik het begreep of er woorden aan gaf dan kon ik terugreageren met met woorden en zelfs ook gevoelens. Dit heb ik een periode vrij extreem zo beleefd.

Mede omdat ik mijn worsteling herkende in Toulmins reactie op Descartes. En ook al eerder bij denkers als Husserl en Heidegger. Maar dat is een blog appart (of misschien wel meerdere blogs).

Bij Marcel vind ik een praktisch herkenbaar gegeven in de ervaring als uitgangspunt. De ervaring heeft niet persee het laatste woord, maar het is voor mij wel de manier geweest om een gezonde (?) houding te ontwikkelen naar mijn omgeving. In de “volheid” van de ervaring zit namelijk een grote diversiteit die de mens meer rechtdoet als creatief schepsel met intuities, verlangens en gevoelens. Wanneer ik de ratio als prioriteit verheft komen deze “functies” bij mij in het gedrang. In de psychologie is dit ooit rationalisatie genoemd. Een afweermechanisme dat onprettige gevoelens en ervaringen op een verstandelijke manier reduceert of vervormd. Een van de eerste definities kan je vinden in Anna Freud’s afweermechanismen.

Hoe kan ik bijvoorbeeld liefde ervaren wanneer ik dit eerst moet begrijpen? Hoe kan ik verwondering beleven als ik dit in definities en concepten wil vatten? De ervaring barst immers altijd uit de woorden en de begrippen. Om Kierkegaard maar eens creatief te citeren.

Maar de weg naar het zijn loopt voor mij wel vaak door mijn ervaring via het hebben. Bewust van wat ik heb aan ‘bezit’ ervaar ik dat ik meer ben dan mijn bezit.

“Ook al groeien geld en goed, houd je hart er vrij van!” (psalm 62:11b)

Dat maakt zijn-en-hebben tot een meditatief moment. In het moment van deze ‘inkeer’ komen we vanuit ons zomaarzijn tot ons bewustzijn. Hierbij overstijgen de de sfeer van ons hebben. We reflecteren erop. Maar onze reflectie lijkt me rijker dan woorden alleen. Het houdt voor mij ook gevoelens in. En op de reflectie in mijn gedachten en gevoelens kan ik ook weer reflecteren met gedachten en gevoelens. Daar kan ik mij bijvoorbeeld verwonderen over mijn gedachten en gevoelens en beseffen dat alles in mij en buiten mij niet in woorden is te vatten en mijn denken te boven gaat, brengt mij in verwondering.

Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven ik kan er niet bij. (psalm 139)

Voor de antieke filosofen was de verwondering ook het uitgangspunt van het denken. Taalkundig zeg je ook dat je verwondert ‘bent’ en niet dat je verwondering ‘hebt’.

Alleen is er bij mij telkens weer de ervaring dat woorden tekort schieten. En daarom kan het bestaan nooit worden herleid tot woorden alleen. Iemand die graag een (zogenaamd) wetenschappelijk wereldbeeld wil vasthouden, komt hier in logische problemen. De wereld die wij ervaren is altijd rijker dan wat de regels van de consensus in wetenschap toestaat en is ook altijd persoonlijker dan de algemeenheden daarin. Wetenschap is immers gebonden aan regels die we met elkaar afspreken en waarover zelfs nog een diversiteit aan opvattingen mogelijk is.

De wereld die wij ervaren is dus ook altijd rijker dan de woorden die we hebben. Dat is een ervaring van hebben naar zijn! Mijn woorden schieten tekort en mijn ervaring is rijker. Wat kan mijn ervaring omvatten en rechtdoen. Laat staan hoe ik mijn ervaring ten volle kan delen.

Dit lijkt me een basaal verlangen die ik bij mezelf ervaar en die ik gelukkig ook ontmoet bij anderen. Misschien lukt het dan niet om alles te delen wat we ervaren, maar dan kunnen we altijd nog de ervaring dat we dit verlangen hebben met elkaar delen.

Dus nog even over de stelling “Ik besta dus ik denk”: Mijn bestaan kan dus nooit vooraf worden gegaan door ons denken (alleen). Elke menselijke (re)act impliceert mijn “zijn”. Analytisch wordt dit duidelijk als ik ‘zijn’ logisch wil definieren. Dan ‘is’ namelijk al het woordje “is” nodig en een definitie met het te definieren woord erin, lijkt me niet echt een bijdrage aan verheldering.

Maar voorbij en vooraf aan deze logische aangelegenheid zie ik een belevingskant van deze kwestie, met het risico dat mensen zich in hun denken kunnen opsluiten, kunnen isoleren, een aan-autisme-verwant risico lijkt mij dan een passende term, als je bedenkt dat voor Descartes alle “zuivere kennis” in ons aanwezig is en we het niet nodig hebben om ons door de ervaring te richten tot de uitwendige wereld der objecten.

Maar het is alweer even geleden dat ik Descartes las, dus als ik deze man onrecht aandoe met mijn woorden dan mag dit zeker worden geroepen.

Hoe-dan-ook de kern van mijn betoog blijft staan. Een goed besef van hebben en zijn, kan bijdragen aan heelheid in jezelf en aan verbondenheid met de schepping om je heen. De verbondenheid met de schepping en met delen in jezelf gaat aan het denken en aan de rationaliteit vooraf. De weg van de ervaring is voor mij het meest bevrijdend, maar wel met het besef dat er meer is dan wat ik ervaar en dat zelf mijn ervaring daarom nooit afdoend is om de werkelijkheid te bevatten.

Dit is niet alleen bevorderend voor mijn heelheid, maar behoed mij ook voor grootspraak en overmoed. Zoals Heschel twee houdingen vergelijkt: Enerzijds de logisch positivisten die zeggen: nog even en we begrijpen heel de wereld en het heelal en wat we nu nog niet begrijpen komt straks wel. En anderzijds de houding van verwondering waarbij we de schoonheid en de complexiteit van de zandkorrel ontdekken en ons verbazen dat er een heel strand vol is met verschillende zandkorrels. De houding die natuurkundige Blaise Pascal verwoord als hij het heeft over Gods grootheid in het kleine van de schepping (moleculen) en in het grote van de schepping (het heelal).

Ronald

In voorbereiding: “zijn-en-hebben” in de ontwikkelingspsychologie en de persoonlijkheidsvorming. Het kind dat de vader- en de moederrollen verinnerlijkt en in reactie daarop zich zal ontwikkelen. En de therapie die – vanuit een zomaarzijn – mensen uitdaagt tot bewustzijn waardoor er keuzevrijheid kan ontstaan voor gedragsverandering.

“Alleen degenen die dagen doorleefd hebben waarin woorden betekenisloos waren, waarin de prachtigste theorieën klonken als schuttingtaal, alleen zij die het uiterste niet-weten, het stemloos zijn van een door het wonder getroffen ziel, de totale sprake–loosheid hebben ervaren, zijn in staat om zich te begeven in de betekenis van God, een betekenis groter dan de menselijke geest. Er is een eenzaamheid in ons die luistert. Als de ziel het gezelschap van het ego en zijn gevolg van onnozele ideeën verlaat; wanneer we ophouden met het uitbuiten van alle dingen en in plaats daarvan de kreet van de wereld, het zuchten van de wereld smeken, dan hoort onze eenzaamheid misschien de levende genade die alle macht te boven gaat.

We moeten eerst in de duisternis turen, ons gewurgd en begraven voelen in de hopeloosheid van het leven zonder God, voor–dat we gereed zijn om de nabijheid van zijn levende licht te ervaren.”

Abraham Joshua Heschel in “God zoekt de mens” h13.3

Abraham Joshua Heshel (1907-1972) was joods filosoof en rabbijn, geboren in Polen en tijdens de oorlog verhuisd naar de States. In dit boek doet hij in de eerste hoofdstukken een poging om geloof te positioneren ten opzichte van wijsbegeerte en wetenschap en geeft hij aan dat geloven alles te maken heeft met gebeurtenissen en ervaringen. Hij maakt allereerst in zijn boek onderscheid tussen concepten en gebeurtenissen. Geloof behoort tot de sfeer van gebeurtenissen. Israel had immers ervaringen met God meegemaakt, waarvan de getuigenissen werden opgeschreven in de bijbel. Dit geldt m.i. ook voor het nieuwe testament. De Grieken hielden zich vooral bezig met concepten.

Als geloof tot de sfeer van gebeurtenissen behoort komt het ook via onze ervaring bij ons binnen. De ervaring van God’s aanwezigheid of het uitblijven van deze ervaring. De ervaring van het lezen van de bijbel waarin we ervaren dat God spreekt of het uitblijven van deze ervaring. Ook de ervaring van anderen die we door getuigenissen krijgen overgeleverd kunnen we op betrouwbaarheid toetsen. De ervaring telt, maar het uitblijven van de ervaring telt ook. Maar de cattegorie van de gebeurtenis is er altijd openheid, want we staan open voor nieuwe ervaringen van gebeurtenissen. Dit geldt wat mij betreft ook voor mijn geloofservaringen.

De ervaring die Heschel hier beschrijft, is de ervaring van onze eenzaamheid die we ervaren als we door het wonder worden getroffen en woorden en theorien betekenisloos zijn geworden. Dit lijkt misschien wat spectaculair omdat we niet altijd de wonderen als wonderen in onze ervaring beleven. Voor Heschel heeft dit te maken met onze (on)gevoeligheid voor het wonder.

Voor Gabriel Marcel is de eenzaamheid wat dichterbij en kan ik dit ervaren in het ondeelbare van mijzelf met de mensen om mij heen. Tot op zekere hoogte kan ik ‘mezelf’ met mensen delen, maar hoe ‘dieper’ ik in mijn ervaring kom, hoe meer ik merk dat woorden tekort schieten en dat het delen met anderen dus niet mogelijk is. Een gevoel van eigenheid gaat dan samen met het het gevoel van eenzaamheid. Deze eenzaamheid die we kunnen ervaren luistert. Het is een eenzaamheid die niet met mensen kan worden gedeeld maar wel vraagt om gedeeld te worden.

In termen van benedictijner monnik Anselm Grün lijkt Heschel onze existentiele eenzaamheid te beschrijven in termen van “spiritualiteit van boven” (vanuit de openbaring > het wonder is er door God gegeven en als wij het ervaren dan bewerkt dit aanvankelijk een eenzaamheid) en Marcel in termen van “spiritualiteit van beneden” (vanuit de menselijke ervaring > waar komen wij onze eenzaamheid tegen en hoe gaan we ermee om). Misschien zijn het wel twee kanten van dezelfde medaille.

Zo wordt eenzaamheid ook een besef van “zijn”. Misschien wel beleeft als de onaangenaam isolement, maar soms ook als aangenaam besef van eigenheid. Beide gevoelens kunnen ontstaan wanneer we onze eigenheid, identiteit, uniciteit beleven. Dit lijkt Emanuel Levinas te omschrijven met termen als “anders zijn” en de ander, zelfs de oneindige ander. Deze ervaring van ons anders zijn loopt volgens Levinas altijd via de ander. Misschien het eerst wanneer ik ontdek dat ik anders ben dan mijn ouders en mijn broer of zus. Niet voor niets hebben volgens de psychologie meisjes meer moeite om uit de moedersymbiose te komen dan jongens.

Martin Bubers formulering is dat het ik, ik wordt door het gij, vanuit het grondwoord ik-gij. Het begint bij een ‘symbiose’ of confluentie (Perls) maar het ik zet zich af omdat het zijn eigenheid beleeft. Deze groei houdt eenzaamheid in.

Deze eenzaamheid geeft ons het besef dat we niet alles met mensen kunnen delen. Deze eenzaamheid kan ons gevoelig maken voor Degene met wie we wel alles kunnen delen. Volgens mij was het Goethe die al zei: “Over heel wat dingen kan ik alleen met God spreken.”

Niet alleen gaan we in onze ervaring voorbij aan de anderen, we beleven ook een eenzaamheid in onszelf die ons afkeert van de dingen, ons ego en onze onnozele gedachten. Zo gaat onze ervaring aan deze dingen voorbij en strekt zich uit naar “de levende genade die alle macht te boven gaat”.

De incarnatie maakt de beweging andersom. Het laat zien dat er een weg is die terugvoert naar de concretisering, naar mijn mens-zijn. De grote God wordt in Jezus Christus mens als ik en daalt af in mijn bestaan. Hij neemt deel aan ons ‘hebben’ (lichaam, ouders etc) en krijgt zo deel aan ons ‘zijn’. Zonder God’s afdaling zijn we overgelevert aan de metafysica en andere theoretische systemen of ‘wereldgeesten’. God daalde af en kwam in onze concrete ervaring. De apostelen hebben hebben gezien, gehoord en gevoeld. Voor en na de dood en opstanding van Jezus. En van deze ervaring hebben zijn getuigd. Hun getuigenis komt bij mij binnen via de ervaring van het horen en later ook via het lezen. Zoals Jezus in Joh 17 bidt: Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven.

Het is de ervaring van het horen/lezen wat ons overtuigd van Gods spreken. Of dit nu door de bijbel is of door de andere verwijzingen naar God en zijn genade voor ons. De bijbel is de verkondiging van de apostelen van Jezus. En daarna volgen de vele getuigenissen van mensen in de geschiedenis die God hebben beleefd in Jezus Christus.

Ook hierin gaat het geloof vanuit de ervaring van het hebben naar het zijn. De boodschap die we hebben ontvangen, vraagt om een reflectie en een reactie. Misschien zijn we nog niet gelijk overtuigd, zoals Thomas die meer nodig had dan het getuigenis van de anderen. Hij wilde het zelf meemaken. Jezus wees hem hierom niet af maar kwam hem hierin tegemoet. Thomas voelde de wonden van Jezus en noemde Hem zijn Heer.

We hebben de uitnodiging ontvangen in woorden, en reageren hierop met onze gedachten en overwegingen maar het is vanuit de sfeer ons zijn waarin wij elke keer weer onze positie bepalen. Voorlopig afwijzend of aanvaardend.

Hierin noemt de bijbel ook de werking van Gods Geest, maar ik wil het nu maar even houden bij onze individuele verantwoordelijkheid.

Ronald

===

Meer over Heschel lezen?

http://nl.wikipedia.org/wiki/Abraham_Joshua_Heschel

Via de link in de kantlijn kom je op de site waar zijn boek online staat gepubliceerd.

Omdat ik ‘zijn en hebben’ zie als een behulpzaam concept dat mijn ervaring helpt te begrijpen, maar voor mij vooral ook een doorbraak is geweest in mijn beleving van mezelf en mijn omgeving, wil ik het voor de lezer zo concreet mogelijk proberen te maken door gedeelde ervaringen te noemen of de verbinding te zoeken met theorien die ons helpen om het te vatten.

Soms schrikken mensen wat af van woorden als begrijpen en theorie. In mijn beleving zijn deze niet negatief, omdat dit behulpzaam kan zijn om er woorden aan te geven. Als we woorden aan dingen kunnen geven of andere symbolen of gedragingen zijn we in staat zijn om het met anderen te delen. Met het samen delen komen we altijd weer in een gebied wat zich moeilijk laat delen. Soms omdat de woorden nog niet gevonden zijn die de ervaring recht doen. Soms zijn de woorden wel gevonden, maar haken ze niet aan bij het referentiekader van je gesprekspartner, zodat daar ook geen bijbehorende voorstelling of herkenning kan zijn. Of soms houden we liever iets voor onszelf.

Ik wil proberen om mijn ervaring van hebben naar zijn met je te delen door dit te algemeniseren in voorbeelden, begrippen en theorien. Hier volgt een poging.

Als we ons niet zo bewust zijn van onszelf en niet zo bewust omgaan met onze persoonlijke geschiedenis dan kunnen we dat de fase van “zomaarzijn” noemen.

Een jong kind die nog niet zo zelfbewust is, zit overduidelijk in de fase van ‘zomaarzijn’. Dat zomaarzijn is niet alleen bij kinderen aanwezig, ook ouderen kunnen op bepaalde gebieden zich niet bewust zijn van zichzelf. In communicatieboekjes kan je lezen over het johari-window. Dat is een theorie die ons zelf(on)bewustzijn in vier gebeiden verdeeld.

gebied 1. Wat je zelf bewust bent van zelf en anderen ook van jou

gebied 2. Wat je zelf bewust bent van jezelf en anderen niet van jou (je onuitgesproken gedachten&gevoelens)

gebied 3. Wat je zelf niet bewust van jezelf en anderen wel van jou (vogelpoep op je rug)

gebied 4. Wat jezelf niet van jezelf bewust bent en anderen ook niet van jou.

In de hulpverlening wordt je meestal geleerd om mensen te helpen bij vlak 3. Je helpt mensen om zich bewust te maken van hun eigen gedrag in de hoop dat ze dit gedrag als van zichzelf accepteren en het ook willen veranderen als het hen iets oplevert. Zo wordt hun probleemoplossend vermogen vergroot.

Deze bewustwording begint in termen van Gabriel Marcel met de term inkeer. In actieve daad keren we ons naar onszelf en worden we ons bewust van ons hebben. Het hebben wat we ons nog niet bewust waren, noemen we ons zomaarzijn. Als we ons bewust worden van ons “hebben” komt er een “bewust-hebben”. Dan zitten we in Joharivlak 1 of 2. Daar accepteren we datgene wat we hebben. Dit kan zijn dat we ons bewustworden van ons haar wat in de war zit, maar ook meer immateriele dingen als ervaringen uit ons verleden. We “hebben” immers onze ervaringen. Maar we “zijn” meer dan deze ervaring.

Dit lijkt vanzelfsprekend, maar kan soms op een verwarrende manier in ons leven aanwezig zijn. Als we bijvoorbeeld net een ongeluk hebben gehad en nog in een shock zijn, dan zitten we nog in een fase van zomaarzijn. We beseffen nog niet wat er precies is gebeurd. We weten niet precies wat we moeten voelen en we hebben nog geen woorden om onze ervaring te benoemen. Als we een week verder zijn dat hebben we deze ervaring wat meer “een plek kunnen geven”. We weten meer wat er is gebeurd en we weten meer wat we voelen. Omdat het echter nog maar net achter de rug is en we er nog weinig nieuwe ervaringen na hebben gehad, ervaren we het als een groot gebeuren. Dan kunnen we het gevoel krijgen dat het zo op de voorgrond staat dat we bijna niets meer dan slachtoffer zijn. Dit kan ook als we dader zijn van iets.

Maar hoe meer ervaringen we hierna opdoen hoe beter we in staat kunnen zijn dat we niet alleen het slachtoffer zijn van het ongeluk, maar dat we nog meer zijn. In de therapie wordt soms ook weer teruggegrepen naar eerdere ervaringen, om zo wat meer “stevigheid” te hebben. Waar droomden we vroeger van, wat vonden we leuk etc. Dan is er meer ervaring van andere dingen die we “hebben” en kunnen we ons ongeluk beter relativeren.

Dit relativeren kunnen we zien zit in de sfeer van “zijn”. Als het gepaard gaat met de bewustwording “ik ben niet alleen het slachtoffer, ik ben nog meer dan dat”. Dan is er een bewust-hebben en ga je over tot een “bewust-zijn”. Deze overstijging, noemen existentialistische filosofen “transcenderen”.

Dit proces speelt een grote rol in de existentialistische psychologie. Daar komt dan nog bij dat we ons niet zozeer alleen vasthouden aan de rol van slachtoffer, maar dat we door nieuwe ervaringen en oude ervaringen van moed en durf, bewustworden dat we sterk zijn en dat we kracht en invloed kunnen uitoefenen in situaties. Dit noemen psychologen dan ego-sterkte.

De existentialisten gaan iets verder dan het psychologische aspect van de mens. Ze zien ook dat de mens is “aangelegd” op zingeving. Een existentialistisch psycholoog van naam is Victor Frankl van de Logotherapie. Hij verloor heel zijn familie tijdens de oorlog in het concentratiekamp. Hij moest een manier vinden om dat intense verdriet te “verwerken”. De manier die voor hem werkte heeft hij tot een therapie gemaakt, de logotherapie. Daarin gaat hij uit van de mens als zinzoekend wezen. Als aanvulling op Sigmund Freud ontdekte hij dat de mens niet alleen ziek wordt van angst (angstneurose), maar dat hij ziek wordt wanneer hij gebrek heeft aan zingeving.

Weer terug naar de gewone wereld, kunnen we dan weer zeggen dat een ongeluk ons soms bewust maakt van de kwetsbaarheid van het leven. We willen zingeven aan gebeurtenissen en aan ons leven en het leven van anderen.

Zo sprak ik gisteren nog een vrouw die tegen me zei dat ze was gaan nadenken over geloven en God toen er iemand uit haar omgeving overleed. Op dat soort momenten voelen we blijkbaar de behoefte om zin te geven aan ons bestaan. We “hebben” deze behoefte en in sommige situaties worden we ons bewust van deze behoeften. Dan kunnen we er twee dingen mee doen. We gaan op zoek naar vervulling van deze behoefte of we laten deze verlangens weer voor wat het is. De vrouw die ik gisteren sprak verbaasde zich over haar eigen reactie en zei tegen me dat het toch gek is dat ze na haar verlieservaring niet meer verder heeft nagedacht over deze behoefte van haar. Volgens mij doen veel mensen dat.

Een reactie volgens “hebben en zijn” lijkt mij, dat je bewust wordt van het hebben van deze behoefte en dat je daar ook bewust op gaat reageren. Het is iets van jou wat om een reactie vraagt. Je reageert op deze bewustwording. Dit kan zijn door een voorlopig antwoord te formuleren en het daarmee te doen. Dit kan ook door een zoektocht te starten. De eerste reactie is meer gesloten en de tweede reactie is meer een openheid naar wat je nog zal gaan ontdekken. Deze reacties kunnen volgens mij ook goed samengaan.

In mijn bewust leven met “hebben naar zijn” ervaar ik deze openheid. Zelfs als ik antwoorden heb gevonden ben ik mij steeds bewust van de reis die mijn leven is. De nieuwe ervaringen die ik zal opdoen. Daar word ik mij van steeds meer dingen bewust en zal ik steeds weer moeten reageren op datgene wat zich in mijn ervaring aandient. Zowel als het gaat om ervaringen van buiten mezelf als bewustwording van wat er in mij leeft aan gedachten, gevoelens en verlangens.

Hiermee wil ik zeggen dat bewust omgaan met ons hebben en ons zijn, een reis kan worden in ons leven. Een ontdekkingstocht en een avontuur. Dat is mijn persoonlijk ervaring die ik hier met jullie in algemene termen wil delen.

Ronald

hebben en zijn en hebben?

‘Hebben en zijn’ kan vanuit het denken van Marcel net zo goed ‘zijn en hebben’ worden. Omdat Marcel zich had voorgenomen om de ervaring trouw te blijven ligt misschien hebben en zijn voor de hand. Dit is immers de weg van de mens als hij opgroeit. Eerst is er de ervaring van het hebben en ligt daar de nadruk, die langzaam aan verschuift naar een besef van zijn die dit hebben overstijgt en die continuiteit geeft.

Marcel riep de mens op om een menswaardig bestaan te leven. Zo was hij erg bedachtzaam tegen de industrialisering en de modernisering van zijn tijd. Daarin zag hij dat de mens zich teveel verenigde met de sfeer van het hebben. Daarin was de oproep nodig om mensen wakker te schudden voor een zijnsbeleving die de hele mens rechtdoet. Een zijnsbeleving die de mens niet reduceert tot nummers en fysische processen. De mens overstijgt deze sfeer van het hebben en komt zo tot de ervaring van zijn “zijn”.

Anderzijds heeft Marcel het ook over de weg terug van zijn naar hebben. In de sfeer van het zijn heeft de mens een ervaring die niet alleen de dingen te boven gaat, maar ook de woorden. Woorden behoren immers ook tot de sfeer van het hebben. In dit proces van loslaten van het hebben is daar een ervaring die de dingen en woorden overstijgt. De ervaring van zijn die zich verbindt met God. Daarin ligt immers een mensoverstijgend zijn. Maar niet onmenselijk, want de God van Marcel moest wel de God van de bijbel zijn. De God die mensen had gemaakt naar zijn beeld. Geen onpersoonlijke kracht zoals de New Age en andere esoterici. Daarin kan een mens immers niet in kwijt. Dat is een niets, terwijl God juist meer moet zijn dan menselijk. De mens kan zich zo verliezen in God’s grootheid. God die de mens schiep naar zijn beeld en zelf ook afdaalde in zijn schepping als mens. Zo kan een mens weer opklimmen tot God en daar zijn ultieme zijn beleven.

Maar daar kan het nooit bij blijven. Dit besef vraagt om “incarnatie” in de wereld van het deelbare menselijke en stoffelijke. Deze ervaring wil onder woorden gebracht worden zodat we het kunnen vatten en het kunnen delen met onze medemens. Dan komen we weer uit de sfeer van het zijn naar de sfeer van het hebben en neemt het vormen aan die kwetsbaar zijn voor geweld en voor misvorming.

zijn en hebben

De ervaring van ‘hebben’ en ‘zijn’

In mijn beleving houdt de mens zich primair bezig met wat hij heeft, het “hebben”. Dit kan bezit zijn in de vorm van een huis, een auto en een computer, maar ook immateriele zaken zoals relaties, gedachten en gevoelens kunnen als hebben worden beleefd.

Aanvankelijk heeft de mens een vader en moeder of verzorgers en ontdekt in de loop van zijn leven familieleden, speelgoed, identiteit en eigen gedachten en gevoelens. Toch zal de mens deze sfeer van het hebben nooit kunnen beleven als zijn “zijn”. Dit is een andere grootheid. De mens overstijgt altijd wat hij heeft. Er is een ervaring dat hij meer is dan hij heeft. Dit overstijgen is misschien wel zijn zijn. Ik kan niet beoordelen of dit ook zo is bij dieren, maar ik krijg niet de indruk dat deze zijns-ervaring zich ook bij hen voordoet. Maar misschien mis ik iets…

Deze algemenisering is terug te voeren op mijn persoonlijke beleving als mens. ‘De waarheid’ is voor mij immers vooral een subjectieve ‘waarheid’. Daar begint het mee.

Hier kwam ik niet alleen achter. In deze ervaring werd ik bijgestaan door mijn medemensen in de vorm van goede vrienden en boeken die ik las. Daarin heb ik op een gegeven moment ook een Godservaring gekregen waardoor mijn ervaring nu is geopend voor een religieuze- of spirituele dimensie. Omdat dit voor mij herkenbaar is geworden met wat ik tegenkwam in de gesprekken en boeken die ik las heb ik dit kunnen verkennen en ook kunnen uitbreiden.

Enerzijds herkende ik in boeken en gesprekken wat ik zelf ervoer en anderzijds maakten de boeken mij opmerkzaam bij wat ik precies ervoer. In boeken raakte ik geboeid hoe mensen konden nadenken over de mens en zijn wereld. Niet zozeer om de stijl en om de woorden, maar eerder om de gedachten die ik erin vond. Voor mijn religieuze ervaring las ik veel minder, maar daarna las ik alles wat los en vast zat. De moeilijkheidsgraad werd ook steeds hoger zodat ik vanaf Pietje Bel en de Kameleon op een gegeven moment mij begaf onder de groten der Aarde als Plato en Aristoteles of wat recenter, Heidegger en Levinas. Ik las veel psychologie omdat ik mezelf en deze ervaring wilde begrijpen, maar toen ik ontdekte dat psychologie bestond uit scholen met bijbehorende levenbeschouwelijke aannames kwam ik steeds meer in filosofische sferen terecht bij fenomenologie en existentialisme. En zo ook bij de meer religieuze boeken als de Koran en de Bagavath Gita en New Age bespiegelingen zoals die van Fritjof Capra.

Temidden van vele ontmoetingen en boeken die ik las heeft de bijbel hierin een belangrijke plaats verworven. Dit is niet altijd zo geweest. Lange tijd zag ik het als een moeilijk vreemd gedateerd boek dat mij probeerde voor te schrijven hoe ik moest leven en vooral in wat ik niet mocht doen. Maar na deze religieuze ervaring heb ik ontdekt dat de bijbel mij aansprak als mens en mij in al mijn aspecten tegemoet kwam op de plaats waar ik mij op dat moment bevond. In plaats van een beperking ging ik de bijbel ervaren als een raam waardoor ik de wereld voller en rijker binnenscheen. Dat is natuurlijk vreemd voor een boek met auteurs die allemaal voor 200 na Christus hebben geleefd. Hoe kunnen zij nu weet hebben van mijn individuele leven anno nu? Maar dit was mijn ervaring die uitging boven al mijn leeservaringen met andere boeken van welke geleerde filosoof of wetenschapper ook…

Dus dat was een aangename verrassing, waardoor ik werd gegrepen en waardoor ik mijn religieuze ervaring beter leerde verstaan en begrijpen.

Dit is voor mij een belangrijk volgorde geweest. Eerst de ervaring en toen de herkenning van mijn ervaring in de bijbel en ook in andere boeken die ik las. Of zoals de italiaanse filosoof van het zwakke denken Gianni Vattimo ontdekte: “de bijbel gaf mij het meest passende interpretatiekader om de wereld om mij heen en in mezelf te verstaan”. Daar herken ik mijn ervaring in.

Zo is het begonnen. Ik had wel in mijn opvoeding kennis gemaakt met de bijbel, maar deze had mij nooit aangesproken. Het werd steeds meer een boek voor andere mensen en speelde geen rol meer in mijn leven.

Maar op het moment dat ik God vroeg om mij te helpen in mijn leven, ging er een soort licht aan en kreeg ik een ander zicht op mijn leven en sloten mijn ervaringen bijna naadloos aan bij wat ik tegenkwam in de bijbel.

Maar dat is inmiddels alweer 20 jaar geleden. Daarna is er nog heel wat meer gebeurd tijdens mijn ontdekkingstocht. Maar dit is toch een beslissende ervaring in mijn spirituele bewustwording. Vanaf toen richtte mijn aandacht zich op meer dimensies in mijn bestaan en ontdekte ik wezenlijke dingen over mezelf en over de wereld om mij heen.

Zo ontdekte ik bijvoorbeeld in filosofische literatuur dat de scheiding die Descartes had voorgesteld tussen het subject en het object inmiddels radicale vormen had aangenomen. Ik herkende deze radicalisering in mijn beleving als een soort isolement tussen mezelf en mijn omgeving. Ook de methodische twijfel waar Descartes over schrijft herkende ik in mijn beleving. Ik ervoer mijzelf opeens als extreem rationeel. De scheiding was voor mij herkenbaar in mijn scheiding tussen gevoel en verstand. Maar zo werd ik mij wel bewst van mijn emotionele kan, echter wist ik nog niet hoe ik mijn emotionele kant kon integreren met mijn denken. Ik ervoer mezelf zo ook als een rationeel wezen die ook daardoor tot op zekere hoogte was afgesloten van de buitenwereld. Immers als ik moet twijfelen aan alles buiten mijzelf eer dat ik er een rationele verklaring voor kon bedenken, raak ik niet alleen vervreemd van veel dingen buiten mezelf, maar ook van activiteiten in mijzelf die ik niet rationeel kan verklaren. Ik kan ze niet negeren of van mezelf afsplitsen omdat ik daarmeen mezelf amputeer van mijn gevoelsleven. Dat klinkt voor sommigen aantrekkelijk omdat zo het objectiviteitsideaal kan worden verwezenlijkt, maar heb ik ontdekt als zeer schadelijk voor mijn intellectuele gezondheid. Dat is misschien ook wel te vergelijken met de ervaring van Fritjof Capra toen hij ontdekte dat de nodige samenhang in de werkelijkheid niet kon worden verschaft door een fysisch wereldbeeld. Zo kwam hij tot zijn holistische gedachten die ontwikkelde als westerling geinspireerd door taoistische en boeddhistische gedachten.

Daarmee geef ik Descartes niet de schuld van de schadelijke scheiding (zoals Toulmin lijkt te doen) maar zeg ik eerder dat ik door de kritische reactie op zijn subject-object scheiding herkenning vond in een persoonlijk probleem waarbij ik een integratie miste. Dit was 1 van mijn ervaringen op weg naar heelheid. Geen afsplitsingen in mijn persoon, maar heel mijn persoon als eenheid in verscheidenheid.

Daar wil ik onder meer deze blog mee vullen. Ik hoop dat ik in deze ontdekkingstocht wat reisgenoten krijg. Misschien reizen we niet de hele weg samen en hebben we niet altijd hetzelfde uitzicht, maar ik vind het altijd weer gezellig als er zo’n moment is van samen opgaan en samen delen in wat we zien en daarbij beleven.

Ronald